*

173. ‘Ja,’ antwoordde ze. ‘Ik heb het gehoord.’ ‘Ben je klaar?’ vroeg haar vader. Hij keek bezorgd naar haar bleke gezicht. ‘Ja, vader. Ik ben klaar.’ Samen liepen ze het strand op. Het schip dat hen naar Saint-Valery zou brengen lag al klaar. Ze gingen aan boord. De loopplank werd ingehaald en het anker werd gelicht. Langzaam voer het schip weg van de kust. Josephine stond op het achterdek en staarde naar Hastings, dat steeds kleiner werd. Daar lag het leger waar ze zo lang deel van had uitgemaakt. Plotseling herkende ze een figuur. Roux stond roerloos op het strand en keek het schip na. Verdrietig omklemde Josephine de houten reling. Haar ogen brandden. Zou ze hem ooit nog terugzien? Al snel sloeg de wind in het zeil. Het schip voer op volle zee. Ondanks haar verdriet genoot Josephine van de zeelucht, het gekraak van het schip en de wind in haar gezicht. De zeeziekte waar ze op de heenweg last van had gehad, was verdwenen. Na een tijdje keek ze om. Haar vader was in gesprek met Jean. Toen hij haar blik zag, klopte hij Jean vriendelijk op zijn schouder en liep naar haar toe. ‘Wat zonde van je mooie haar,’ zei hij, wijzend naar haar korte krullen. ‘Geen wonder dat we je nergens konden vinden.’ ‘Het spijt me echt dat ik ben weggelopen, vader. Maar ik kon niet anders!’ Bertrand zuchtte even. ‘Je hebt waarschijnlijk gelijk. Ik heb niet goed naar je geluisterd. Maar ik had het druk met alle reizen naar het hof van de hertog.’ ‘Ik weet het.’ Ze legde even haar hand op zijn arm. ‘Heeft u echt in Engeland gewoond?’ ‘Ja, ik heb in Engeland gewoond. In mijn jeugd ben ik uit Normandië weggetrokken, om aan het hof van de toenmalige Engelse koning Eduard mijn geluk te zoeken. Jaren heb ik op een landgoed aan de zuidkust als smid gewerkt. Toen ik tijdens een opdracht voor koning Eduard weer eens na jaren in Normandië kwam, ontmoette ik de mooiste vrouw die ik ooit gekend heb.’ Josephine glimlachte.

Varia

meer ‘Varia’

advertentie