*

Calvijn en de vrouwelijke predikant

Jurn de Vries schreef over Calvijn en de vrouwelijke predikant (ND, 17 juni). Is zijn beroep op Calvijn terecht? De Vries riep het beeld op dat Calvijn de visie van voorstanders van de vrouw in het ambt zou ondersteunen. Hij verwees naar zijn Institutie (boek IV, hoofdstuk X, paragraaf 31). Het is goed om van de hele paragraaf kennis te nemen. En of u dan tot dezelfde conclusie komt, waag ik te betwijfelen. Calvijn beschrijft situaties waarbij het niet gaat om onveranderlijke en eeuwigdurende bepalingen. Hij schrijft over hoofdbedekking, zwijgen, het buigen van de knieën en over begraven. Ik citeer: ‘Ligt de religie dan in een linnen hoofddoek, dat ze niet blootshoofds naar buiten mag gaan? Is de bepaling dat ze haar mond moet houden dan zo heilig dat die niet overtreden kan worden zonder een zeer grote zonde te begaan? Is er aan het buigen van de knieën, en het begraven van een lijk dan een mysterie verbonden dat men niet kan negeren zonder ervoor te moeten boeten?’ Calvijn zegt daarop: ‘Nee, zeker niet. (...) Er zijn ook omstandigheden waarin het voor haar niet minder gepast is te spreken dan in andere omstandigheden te zwijgen. Even verder schrijft Calvijn: ‘En als men daarin uit onvoorzichtigheid en vergeetachtigheid iets verkeerd gedaan heeft, is daarmee nog geen zonde begaan; gebeurt dat echter uit minachting voor de regels, dan is dat een afkeurenswaardige vorm van eigenzinnigheid.’ Tot zover Calvijn. Het lijkt me toe dat dit incidenteel spreken in plaats van zwijgen van de vrouw een heel andere context heeft dan het zwijgen in de gemeente waarover de apostel Paulus in zijn brief aan Timoteüs spreekt. Zie daarvoor Calvijns verklaring van 1 Timoteüs 2.<

Opinie

meer ‘Opinie’

advertentie