4 juli 2014 om 08:12

Nieuws Piet H. de Jong

Participatiesamenleving

Het was hét woord van 2013: participatiesamenleving. Die taalkundige uitverkiezing sloeg op een passage in de Troonrede die koning Willem-Alexander op 17 september uitsprak.

Kort en goed kwam die veelbesproken zinsnede erop neer dat we leven in een netwerk- en informatiesamenleving en dat mensen mondiger zijn dan ooit. Dat gegeven, gecombineerd met de noodzaak om het huishoudboekje van de staat op orde te brengen, leidt ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving.

Er ontstond een breed maatschappelijk debat over wat er precies bedoeld werd met deze uitspraak. Alleen in politiek Den Haag bleef het akelig stil. Het is aan de vasthoudendheid van ChristenUnie-leider Arie Slob te danken dat de Tweede Kamer woensdagavond eindelijk een serieus debat aan dit belangwekkende thema wijdde.

Het gevaar bij zon begrip is dat het debat alle kanten uitwaaiert. Naast de ideologische discussie over welke samenleving je voor ogen hebt, is er de harde strijd om de geldstromen. Een flinke som geld gaat van het rijk naar het lokaal bestuur. Dat betreft de decentralisaties van de Jeugdwet, Participatiewet en de nieuwe WMO. Die grote bestuurlijke operaties gaan gepaard met een forse bezuinigingsmaatregel. Dat maakt het debat knap lastig. Toch is het nuttig en nodig het gesprek over die veranderende samenleving op gang te houden, zowel in het publieke als politieke debat. Premier Mark Rutte heeft zich als liberaal meermalen in de verbale strijd geworpen. In enkele speeches zette hij uiteen hoezeer de samenleving is veranderd. Zijn stelling is dat de participatiesamenleving gebeurt. Het is een gegeven waar burgers en overheid mee moeten (leren) omgaan.

Het is jammer dat het politieke debat hierover zo laat op gang is gekomen. Het gaat immers over vragen die er echt toe doen: welke ruimte krijgt de mondige burger? En wat wordt de rol van de overheid, nu de klassieke verzorgingsstaat verder wordt afgebouwd? Het gaat niet per se om een terugtredende overheid maar om een anders optredende overheid, zei de premier.

De idee dat vadertje staat voor alle burgers de zaakjes van wieg tot graf keurig regelt, is inderdaad voorbij. Daarin heeft de premier gelijk. Maar de overheid moet er zijn én blijven als schild voor de voor zwakken en de niet-zelfredzamen in de moderne netwerksamenleving. Daarom is het nodig dat rijk en gemeenten luisteren naar kritische geluiden, zoals van de Algemene Rekenkamer en heel recent van het Sociaal en Cultureel Planbureau om de vinger aan de pols te houden. Bij de grootscheepse verbouwing van de samenleving mogen geen mensen aan de kant worden geschoven. Uitgangspunt van de participatiesamenleving moet zijn dat de burger belangrijker is dan de beoogde bezuiniging.