30 januari 2014 om 08:58

Nieuws redacteurRuurd Ubels

Arbeider als beeld van God

The American Dream bestaat die nog? Zijn de Verenigde Staten nog wel het voorbeeld voor de wereld, als het gaat om de relatie tussen gelijke kansen, hard werken en welvaart? Nee. De ongelijkheid is toegenomen, doorgroeimogelijkheden stagneren. Te veel Amerikanen werken harder dan vroeger om maar de eindjes aan elkaar te kunnen knopen.

Met deze woorden zette president Barack Obama gisternacht de puntjes op de i in de jaarlijkse State of the Union (te vergelijken met onze Troonrede). Het is een kernachtige samenvatting van wat al geruime tijd in de VS zichtbaar is: groeiende armoede en ongelijkheid.

In 2011 was het percentage Amerikanen dat onder de armoedegrens leeft het hoogste sinds de eerste meting in 1959. Vorig jaar meldden statistici dat 20 procent van alle kinderen in de VS opgroeit in een huishouden dat kan worden beschouwd als arm of met een laag inkomen een percentage van vóór 1975. Tegelijk maken bijna 48 miljoen Amerikanen gebruik van voedselbonnen - de helft meer dan in 2008 bij de start van de kredietcrisis.

Wat deze cijfers extra schrijnend maakt, is dat de rijkste Amerikanen via salarisstijgingen, bonussen en beurswinsten steeds meer afstand nemen van Joe Sixpack, de modale Amerikaan. Obama: Wie aan de top staat, heeft het nooit beter gehad.

Dat ongelijkheid groeit en de rekening wordt neergelegd bij de lager betaalden, is echter geen typisch Amerikaans fenomeen. Eerder deze maand beschreef het Wereld Economisch Forum wereldwijde inkomensongelijkheid binnen rijkere landen als een van de meest zorgwekkende ontwikkelingen. Het leidt bijvoorbeeld tot koopkrachtdaling en dat is funest voor economische bloei.

Maar erger is dat als rijken de winnaars worden van economische crises, dit bijna altijd leidt tot sociale spanningen. Dat uit zich maar al te snel in straatprotesten. Of, nog schadelijker, in een vlucht van groepen kiezers naar dubieuze politici die graag handelen in woede en angst.

Wat te doen? Nu het liberale gedachtegoed in de samenleving leidend is, is de aanpak van splijtende inkomensongelijkheid niet bijster populair. In de christelijk-sociale leer is dat van oudsher echter wél wel het geval. Protestantse voorlieden en pausen hebben er sinds het einde van de negentiende eeuw van alles over opgemerkt. Telkens was dit de kern van hun betoog: van een salaris moet een werknemer (en zijn gezin) goed kunnen rondkomen. Punt.

Waar geen rechtvaardig loon wordt betaald, leert de Bijbel, is sprake van zware onrechtvaardigheid (zie bijvoorbeeld Jakobus 5 vers 4). Met een samenleving waar schoonmakers, pakketbezorgers of wie dan ook niet van één volwaardige baan kunnen leven, is iets grondig mis.

Want uiteindelijk heeft een eerlijk salaris alles te maken met de waardigheid van mensen. En die waardigheid kun je de mens als beeld van God niet ongestraft afnemen.