2 augustus 2013 om 08:57

Nieuws Jan van Benthem

Tot Syriës laatste burger

Syrië heeft toekomst, onder de leiding van president Assad. Dat is de vaste overtuiging van de Iraanse regering, die het Syrische regime voor 3,6 miljard dollar aan olie gaat leveren. In ruil daarvoor krijgt Teheran het recht op investeringen in het land.

Assad verkoopt zijn land desnoods, om maar olie en diesel te krijgen voor zijn leger. En Teheran denkt er niet aan, Syrië op te geven, maar zal het tot de laatste Syrische burger in handen willen houden.

Assad is mede door deze steun zo zelfverzekerd geworden dat hij zich gisteren, op de Dag van het Leger, voor het eerst in anderhalf jaar weer buiten Damascus begaf, naar het onlangs op de rebellen heroverde Daraya. Hij is zeker van de overwinning, liet hij zijn troepen weten.

Zijn tegenstanders zijn dat niet meer. Dat blijkt uit opmerking van de voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie (SNC), Ahmed al-Jarba. Hij weigert niet alleen met Assad te onderhandelen, maar stelt nu ook dat de gesprekken pas kunnen beginnen als de militaire situatie in Syrië weer positief voor de rebellen is. Dat is nu duidelijk niet het geval.

De grootste factor daarin is het optreden van de aan al-Qaeda verbonden strijders van al-Nusra. Dit heeft bij het Westen zon wantrouwen gewekt, dat zelfs de meest uitgesproken tegenstanders van Assad, Frankrijk en Groot-Brittannië, niet zijn overgegaan tot wapenleveranties aan het Vrije Syrische Leger.

Vorige week, toen volgens de VN de trieste mijlpaal van 100.000 doden was gepasseerd, deden de opstandelingen nog een klemmende oproep aan de VS om snel militaire steun te verlenen, voor het regime begint met wraak nemen in de heroverde gebieden.

Voor de dreiging van dat laatste en ook vanwege de onmogelijkheid nog te leven in de gebieden die in de frontlinie liggen, is ruim een kwart van de Syrische bevolking gevlucht. De situatie in de enorme kampen in Jordanië en andere landen is echter zó uitzichtloos, dat duizenden nu weer proberen terug te gaan naar Syrië.

De internationale gemeenschap heeft ervoor gekozen, niet in Syrië in te grijpen. Maar deze wanhopige terugkeer geeft aan dat ook de hulpverlening voor de vluchtelingen tekortschiet. Het VN-voedselprogramma meldt dat met de huidige donaties een basale humanitaire taak als voedselhulp financieel al niet valt vol te houden en er tegen het eind van dit jaar een tekort dreigt van 760 miljoen dollar.

De hoop van het Westen dat de rebellen ook zonder militaire hulp Assad binnen niet al te lange tijd zouden verjagen, is wel vervlogen. De consequentie is dan dat zowel het Westen als de Arabische landen het lot van de vluchtelingen hoger op de agenda moeten zetten. Anders kan de keuze om alleen niet-dodelijke hulp aan de rebellen te geven straks wel eens de meest dodelijke blijken te zijn geweest.