*

Praten over anderen als graaiers, mensen die hier niet horen of zakkenvullers begint thuis
Commentaar

Praten over anderen als graaiers, mensen die hier niet horen of zakkenvullers begint thuis

Ergens in het nieuwe rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) over segregatie in het onderwijs vertelt een docent over excursies naar de Tweede Kamer die hij met zijn leerlingen maakt. Hij of zij werkt op een ‘tamelijk witte’ school in het oosten des lands. Het is of je naar de dierentuin gaat. ‘Dan ga je daarheen met de bus, en ze bonzen dan op de ruiten als ze iemand zien die een andere huidskleur heeft, die gesluierd over straat loopt. Ik schaam me kapot.’

Het verhaal moet illustreren hoe belangrijk het is dat kinderen uit verschillende sociale milieus elkaar ontmoeten. Nu gaan ze te vaak - vooral in de steden - naar scholen van hun eigen ‘bubbel’. Zo leren ze ‘de ander’ niet kennen, wat kan leiden tot onbegrip, wantrouwen, een samenleving die uit elkaar valt. Maar dat gedrag in die bus heeft er nog niet zoveel mee te maken dat die leerlingen wit zijn en vwo doen. Waar en van wie hebben ze ooit geleerd zo op andere mensen neer te kijken, hen belachelijk te maken?

Het SCP ziet visioenen van ‘aantrekkelijke brede scholen’, met meer onderwijstypen op één vestiging. Het gebouw niet ingedeeld naar onderwijsniveau, maar naar vakken: een talenvleugel of -verdieping; exacte vakken en praktijklokalen bij elkaar. Leerlingen van verschillende niveaus werken samen aan projecten, voorstellingen, practica. Gemeenten en raden van toezicht kunnen dit stimuleren. Sport, maatschappijleer en praktische cultuurvakken zou je trouwens ook klasdoorbrekend kunnen geven.

Diverse partijen hebben het in hun verkiezingsprogramma’s over ‘brede brugklassen’, om het moment van schooltypekeuze een paar jaar op te schuiven. Dat is ook om andere redenen interessant: aan het eind van groep 8 is er soms nog zo weinig over de talenten en voorliefdes van een kind te zeggen.

Maar als de samenleving lijdt onder een groeiende kloof tussen kansrijken en kansarmen, kan dat niet op het bordje van de scholen worden gelegd. De samenleving beweegt de ene kant op en dan zou de school in z’n eentje de andere kant op moeten trekken? Het heeft niet eens allereerst met het schoolsysteem te maken, maar met andere politieke keuzes: het idee, vanaf de jaren tachtig, dat de overheid vooral ruimte moet geven aan iedereen die dat wil, om vooruit te komen - en dat het dus aan jouzelf ligt als dat niet lukt. Dat geeft voedsel aan desillusie en rancune, aan gevoelens van niet gezien worden. En het begint thuis; als daar gepraat wordt over anderen als losers, deplorables, of mensen die hier niet horen te zijn, over graaiers, zakkenvullers, ‘ze’ in het algemeen - dan staan er kranen open en wie moet er dan dweilen?

Commentaar

meer ‘Commentaar’