22 november 2019 om 03:00

Nieuws Bart Jan Spruyt

Bart Jan Spruyt: Het populisme is onze politiek minder wezensvreemd dan wordt beweerd.

Ons beeld van de Nederlandse politieke cultuur is te rooskleurig. Hoe de Nederlandse politiek werkt, of in ieder geval: werkte, dat menen we wel zo’n beetje te weten. Het draait in ons land om consensus en pacificatie, om accommodatie en polder. Ons land is immers pluriform. Dat wil zeggen: ons land is religieus, sociaal-cultureel en sociaaleconomisch verdeeld. Al die verschillende groepen hebben zuilen gevormd. Liberalen, sociaaldemocraten en christendemocraten hebben zich apart georganiseerd; de politieke elites van die zuilen kozen voor samenwerking, overleg en onderhandeling om gevoelige kwesties op te lossen. Zij smeedden compromissen die zo veel mogelijk partijen onderschreven. Een meerderheid dient in een goede democratie immers rekening te houden met de belangen van minderheden.

In ons zelfbeeld zijn we trots op deze politieke cultuur. Normatieve, nobele overtuigingen over democratie zijn voor ons belangrijker dan machtsverhoudingen! En een van de redenen waarom de opkomst van het populisme zozeer wordt betreurd, hier en daar, is dat deze nieuwe politieke stroming de consensuspolitiek bedreigt. Het spannende van het huidige tijdsgewricht bestaat in de vraag of de oude politieke partijen standhouden tegen dit populistische geweld, of ‘het midden’ zich weer herstelt (zodat we bij de volgende verkiezingen zomaar een machtsstrijd tussen CDA en PvdA kunnen krijgen – hetgeen ik voorspel), of dat het populisme zich toch in het centrum van de macht nestelt.

crematie

Een vraag die niemand zich in dit verband stelt, komt aan de orde in een dissertatie die volgende week in Leiden wordt verdedigd. De auteur, Bart-Jan Heine, stelt de vraag hoe politieke elites zich sinds 1967 hebben gedragen bij enkele belangrijke politieke kwesties (Consensuspolitiek in Nederland: een studie naar de politieke besluitvormingscultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw). Het gaat om wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid, crematie (1956), abortus provocatus (1965-1982) en actieve euthanasie (1970-2002). Volgens Heine is het te gemakkelijk om te stellen dat de consensuspolitiek na 1967 in Nederland zich gewoon heeft doorgezet of sinds dat jaar van karakter is veranderd: er is zowel continuïteit als verandering. Elitegedrag gericht op het smeden van consensus is afhankelijk van het soort vraagstukken. Bij bepaalde (religieus-ethische) kwesties vindt er wel degelijk polarisatie tussen politieke elites plaats en zet een meerderheid haar overtuiging en belangen door. Dit gebeurt veelal wanneer kwesties binnen de coalitie niet kunnen worden opgelost. Het initiatief tot nieuwe wetgeving wordt dan aan de Tweede Kamer overgelaten, met als gevolg een grote politisering en polarisering van de kwestie. Tegelijkertijd worden ándere (sociaaleconomische) politieke onderwerpen via consensus en uitruil beslecht.

Wanneer gevoelige kwesties aan parlementair activisme worden overgelaten, leidt dit er vaak toe dat delen van de oppositie tegenover een ideologisch verdeeld kabinet de houding innemen dat een minderheid de doorwerking van de ideologische voorkeuren van een meerderheid niet mocht belemmeren. (Hetzelfde zien we nu met betrekking tot de zogeheten ‘roze agenda’ van een deel van de oppositie tegenover een kabinet dat niet alleen uit VVD en D66 maar ook uit CDA en ChristenUnie bestaat.) De oppositie neemt dan de toevlucht tot het recht van initiatief om zo de coalitiepartijen uit elkaar te spelen.

macht van het getal

De vraag dringt zich op of ‘1967’ misschien wel een breekpunt is geweest dat het gedrag van elites heeft veranderd. Ons politieke bestel op zich blijkt niet voldoende om normatieve opvattingen over goede democratie te garanderen. Als elites dat opportuun achten, kunnen allerlei conventies zomaar aan de kant worden geschoven. ‘De macht van het getal’, aldus Heine, ‘bleek telkens sterker dan de macht van de moraal.’ Het populisme is dus minder wezensvreemd aan ons stelsel dan vaak wordt beweerd. En minderheden hoeven zich in Nederland geen enkele illusie te maken zodra parlementair activisme de weg van polarisatie zoekt.