14 augustus 2012 om 09:06

Nieuws David Heekscheidsrechter, blogger, theoloog

Het olympische spelletje

Zon vijftien jaar geleden probeerde ik de Bijbel voor het eerst serieus te lezen. En ik moet zeggen, het viel behoorlijk tegen.

Dat kwam door Paulus. Het eerste wat ik van hem las, uit de NBG-vertaling van 1951, was: Weest allen mijn navolgers. En ik dacht: Paulus, het kan aan mij liggen maar volgens mij moet Jézus worden nagevolgd!

Ook moeten van deze apostel vrouwen in bepaalde situaties zwijgen, worden bepaalde mensen (voor je gevoel met weinig pardon) aan satan overgeleverd, en schrijft hij gerust méér dan eens dat we zijn navolgers moeten zijn. Ik vond Paulus maar een arrogante man.

trapveldje

Dan ga ik nog voorbij aan die ene uitspraak, een zin die elke sporter pijn doet. We lezen 1 Timoteüs 4 vers 8. Want de oefening van het lichaam is van weinig nut. Dat lees je dan als voetballiefhebbende tiener die de hele week niets liever deed dan na schooltijd een bal tussen zadel en bagagedrager vast te klemmen om van half 4 tot half 6 de mooiste acties en doelpunten te maken op een trapveldje dat eenmaal per jaar werd gemaaid, maar in je dromen gewoon doorging voor stadion ons eigen stadion!

Weet je, dan is Paulus in eerste instantie echt een zuurpruim, en doet hij je denken aan een verzuurde man met ingesleten, diepe frons. Zon man die het gros van zijn zinnen met Nou, nee of Ja, maar begint.

enig nut

De Nieuwe Bijbelvertaling zegt minder juist maar prettig positief dat de oefening van het lichaam wel enig nut heeft. Dus weinig is enig geworden. Dat is lief van de NBV-vertalers, ze hebben gevoel voor sport(ers).

De Olympische Spelen zijn voorbij. Het was mooi. Regelmatig zelfs indrukwekkend. En Paulus? Na enige ervaring met de man die echt wel van sport moet hebben gehouden, denk ik nu: als hij zo klein spreekt over zoiets moois als sport, hoe groots en mooi moet dan de bedenker ervan niet zijn?

Dit is de laatste aflevering van een serie columns van David Heek.

Columns

meer ‘Columns’