1 december 2018 om 03:00

Nieuws -

Kruimeldief: Het theater van de profeet

‘Ik droeg het weg terwijl het volk toekeek’

Ezechiël 12 vers 7

Voor mijn preekwerk verzon ik een enkele keer een gelijkenis. Voor de meeste luisteraars blijkt dat een prima manier te zijn om over iets na te denken of een boodschap op te pikken. Een enkeling nam mij deze vorm kwalijk. Hoe haalde ik het in mijn hoofd gelijkenissen te verzinnen?! Ik moest gewoon een tekst ‘bepreken’. Ik antwoordde dat ik dat had geleerd. ‘In Kampen?’, klonk het wantrouwend. ‘Nee’, antwoordde ik. ‘Van de Here Jezus.’ Toen bleef het stil. Daarna kwam gelukkig een gesprek op gang. Jezus gebruikte een vorm: de gelijkenis. Waarom zou ik alleen van zijn invullingen van die vorm mogen leren en niet de vorm zelf kopiëren?

Een sprong. Mensen drommen samen. Waar is die man toch mee bezig? De hele middag is hun buurman al in de weer. Hij zegt geen stom woord, maar draagt het ene na het andere stuk huisraad naar buiten en legt alles op een groot kleed. Soms brengt hij iets weer naar binnen om er even later opnieuw mee te komen aanzetten. Hij schuift en schikt. ‘Houd je uitverkoop?’, grapt iemand. ’Ga je verhuizen?’, vult een vrouw aan. Hun buurman reageert nergens op.

De avond valt, het donker likt aan de vormen van de dag. Het publiek is er nog steeds; het wordt steeds duidelijker dat hun buurman ‘van het padje’ is. Nu zijn huis leeg is, begint hij het af te breken! Met zijn handen breekt hij stukken leem en takken uit de muur. Er groeit een gat. Als het gat naar zijn zin is – het is nu bijna helemaal donker – vouwt hij de punten van het kleed waarop zijn huisraad ligt samen, legt er een knoop in en hijst het zaakje op zijn schouder. Dan slaat hij een doek voor zijn ogen en scharrelt als een zwaarbeladen dubbelblinde de nacht in. Weg is hij.

Herkent u hem? Het is Ezechiël. Lees maar na in hoofdstuk 12 van zijn boek. Eerder was het ook al raak. Ezechiël had een tekening gemaakt. Van een belegerde stad. Moet Jeruzalem voorstellen. Daarna was hij erbij gaan liggen. Met een bakplaat. Een wat? Een bakplaat. Die hield hij tussen zichzelf en de stad op de tekening in. Vanachter de bakplaat staarde hij dreigend naar de belegerde stad. Hij kroop in de huid van een belegeraar en bleef erbij liggen tot hij een ons woog. Wat is dit?

Dit is toneel. Dit waren twee toneelstukjes. Toneel dat Ezechiël in opdracht van God moet spelen om een boodschap aan zijn volksgenoten over te brengen. Ezechiëls eerste stukje theater moet zijn volksgenoten ervan doordringen dat het ernst is met de ballingschap. Er is geen sprake van een spoedige terugkeer naar Jeruzalem. Het tweede toneelstuk vertelt hetzelfde verhaal: Ezechiël gaat daar bepakt en bezakt in ballingschap. Hij ziet – het is nacht en zijn ogen zijn bedekt – zijn land niet meer terug. Er zullen nog meer ballingen naar Babel komen. De muren van Jeruzalem zullen vallen. En door de gaten heen zal de rest van het volk in ballingschap worden afgevoerd.

Toneel, wie zijn wij om een vorm in de ban te doen die God wilde gebruiken?

Columns

meer ‘Columns’