25 oktober 2019 om 14:47

Nieuws Hilbrand Rozema

Column Hilbrand Rozema: Een struik snoeien bij nacht

‘Laten we de vlinderstruik snoeien.’

Wát zeg je?

‘Kom op, naar buiten. Die struik is hélemaal verwilderd. Geen gezicht, drie meter struikgewas pal naast de voordeur. Snoeien hoort bij de herfst.’

Hoewel gehard, door een niet-aflatende stroom kleine en grote opdrachten, gek genoeg altijd ­afgekondigd net als ik rustig de avondkrant opensla, moest ik dit bericht even laten indalen.

‘Hoe kom je daar nu bij. Dat is juist mooi, zo’n wilde struik. Schilderachtig. Dat de postbode moeite moet doen om de voordeur te bereiken, dat heeft wel iets. En trouwens ... het is nu avond. Bijna bedtijd. Je gaat toch niet in het píkkedonker een struík staan snoeien? Ben je wel goed wijs?’

‘Mijn timing’, klonk het gevaarlijk kalm, ‘is niet raar, die is juist perfect. Morgen wordt de bruine kliko geleegd voor het groenafval. Als we die struik nu niet kortwieken, moet ik er nog een hele week tegenaan kijken. En we zijn nu al de tokkies van de buurt.’

Daarmee gebruikte ze een op deze redactie verboden term. Tokkie is namelijk een achternaam van Portugees-Joodse origine. Er was in 2005 een tamelijk in het ongerede geraakte familie op de televisie waarvan de moeder die achternaam had. Het bleef in de volksmond hangen, als aanduiding voor slonzige mensen. Geregeld vraagt een zekere keurige meneer Leon Tokkie belet bij de media, in een wanhoopsoffensief zijn naam te zuiveren. Een rechtvaardige strijd; mijn sympathie.

Maar dit was misschien, bedacht ik me nog net op tijd, niet het juiste moment voor een uitgebreid historisch exposé. Op een gegeven moment ­ontwikkel je daar een antenne voor.

Ik kreeg alvast medelijden met de struik.

In een jaar tijd was die doorgeschoten naar drie, vier meter. Er kwamen veel vlinders op af. Op een avond in de zomer zag ik er zelfs nachtvlinders en motten. Daar sta je nooit bij stil, dat insecten ook in het holst van de nacht van bloem naar bloem gaan. Terwijl wij slapen. Maar dat doen ze wel.

In tien minuten was de struik geveld. Een kaal takkenstelseltje schoot er nog over, vreemd en bloot. Het leek wel een gewei. Of een zevenarmige kandelaar. ‘Ik graaf ‘m uit’, zei ik ferm, plots bewogen met plantaardige ontferming, ‘en ik geef ‘m een tweede leven. Op de moestuin.’ Een voorstel dat verdacht snel werd aangenomen.

Columns

meer ‘Columns’