*

Met sommigen bosnomaden wil je niet ruilen, bij min vijftien graden vorst
Column

Met sommigen bosnomaden wil je niet ruilen, bij min vijftien graden vorst

Hoe zou het Alexander vergaan? Het gaat vriezen dat het kraakt. Nu maar hopen dat hij genoeg houtjes hakt. Hij woont niet in een paleis, deze naamgenoot van de koning, maar in een oude SRV-wagen. Tussen hoge dikke dennen, ergens in een oud bos, is een rommelplaatsje uitgespaard. Daar staat zijn woonbus, een roestig geval dat er niet al te bewoonbaar uitziet. Maar Alexander (50) is wel tevreden. Gelukkig zelfs, zo lijkt het. Hij heeft twee hondjes, die ook nog wat warmte afgeven. En een wollen muts.

Er zijn plekken in Nederland die onder de radar blijven. Waar scharrelaars hun bivak opslaan, mensen die niet veel drukte kunnen lijden. Hen trekt de natuur, de vrijheid.

Je vindt zulke vrijplaatsen nog weleens in en rond lege fabrieken. Alexander werkte op boorplatforms en in de festivalbouw. ‘Het liefst’, zegt hij, ‘wil ik altijd in het bos wonen. Maar permanente bewoning mag niet.’

‘Zulke vrijplaatsen moeten er ook zijn.’

Hij heeft nu als postadres een naburig dorpskerkje.

Wonen in de berm van het drukke leven, op de oevers van de tijd, het heeft wat. De bosnomaden op deze geheime plek kunnen met weinig toe. Een tent, een vuurkorf, een paar zonnepanelen, een paar jerrycans water, dat zijn hun kanttekeningen bij groei zonder grenzen, de woningnood en de consumptiemaatschappij. Alexander lijkt van zijn schamele onderkomen en de omgeving te genieten. Maar, zegt hij ook, ‘ik heb geen geld en geen werk, ik moet hier wel wonen’.

Iets verderop woont Jan-Willem (48), een pas gescheiden vader van twee. Zijn boshut ziet er stevig en nieuw uit. ‘Mijn kinderen moeten op de fiets langs kunnen komen. Dat kan hier nog net, vanaf het dorp waar ze nu bij hun moeder wonen.’ De relatietherapeut had gezegd: jullie stromen allebei wel, maar in tegengestelde richtingen.

Jan-Willem spreekt van relationele draaikolken en het ontstaan van stremmingen in de doorstroming.

‘Ik wilde altijd al een tijd zelfvoorzienend leven en heb zelfs gezocht naar verlaten dorpjes in Noord-Spanje.’

Dat is te ver voor de kinderen.

Zijn tiny house is een bewoonbaar gemaakte vrachttrailer. De hele zijkant kan open. Dan verdwijnt het verschil tussen binnen en buiten. Bos, overal bos. En het brommen van de generator. ‘Dat is maar een halfuurtje per dag.’

Dit bosperceel is een tijdelijke wijkplaats, een overhoekje. Zulke plekken moeten er ook zijn, in een land.

In de steden zijn het vaak de krakers en de kunstenaars die met creatieve broedplaatsen de weg banen voor iets nieuws. Zoiets kun je je ook voorstellen in krimpgebieden en op een leeglopend platteland. Ongebreidelde groei is in elk geval niet langer een zinnige toekomst voor Nederland en de wereld, de grondstoffen en de insecten raken op.

Er moet een denktank komen die zich buigt over scenario’s waarbij de virusmutaties en pandemieën níét weggaan. Deze bonte verzameling woudbewoners in hun kotjes, trailers, tenten, woon- en melkboerwagens, ze lijken drop-outs en mensenmijders. En met sommigen wil je niet ruilen, bij min vijftien graden vorst. Maar nog een paar rampen en dan zijn zij ineens de voorlopers. <


Voor de bewoner van deze SRV-wagen komen er koude dagen aan. - beeld nd

Columns

meer ‘Columns’