Feuilleton: David en Mirjam (19)

19. Hij riep om Mirjam, die haar koele handen op zijn voor­hoofd legde. Hij vroeg naar David, maar herkende hem niet als hij naast hem kwam zitten. Zijn grote, glanzende koorts­ogen zagen dingen in de kamer die niemand anders zag. Mama huilde voortdurend. Abba zweeg. Davids deed geen oog dicht en bad uit alle macht dat de koorts zou dalen en zijn broertje weer beter zou worden. De Almachtige leek hem niet te horen. De nieuwe dag brak aan, zonder dat er verbetering in Benjamins toestand te merken viel. Zijn wangen, die steeds rood en nat van het zweet waren geweest, kregen in het witte morgenlicht een akelig grauwe kleur. Het hoesten bleef rauw en pijnlijk klinken, maar werd zwakker. Benjamin was uitgeput. ‘Kom, het is tijd om naar de synagoge te gaan.’ Het waren de eerste woorden die sinds uren gesproken werden. Abba stond op en wenkte David. Wat er ook gebeurde, het bezoek aan de synagoge op sabbat ging altijd door. ‘Je moeder en Mirjam kunnen samen voor Benjamin zorgen.’

Varia

meer ‘Varia’