Theologenblog: ‘Wij zijn met meer’

Theologenblog
beeld ND

De uitspraak van Mark Rutte, 'Wij zijn met meer', mag goedbedoeld zijn, maar kan ook afkeer oproepen: wij zijn met meer, dus weg met die rotlui.

Ik heb respect voor de manier waarop de minister-president reageerde op de verschrikkelijke aanslagen in Brussel. Als een refrein herhaalde hij zijn woorden van na het drama in Parijs: ‘Wij zijn met meer!’ Hij wil het wij-gevoel versterken in de samenleving, de verbondenheid en de saamhorigheid, juist op dit moment.

Toch kan deze reactie ook een andere uitwerking hebben. Die kan ook aansluiten bij gevoelens van afkeer: ‘wij zijn met meer, dus weg met die rotlui’. Zulk wij-zij denken kwam ook aan de orde op de laatste conferentie van de BEST- onderzoekgroep (Biblical Exegesis and Systematic Theology van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen). We ontdekten dat de God van de Bijbel anders leert denken. Ook als God onderscheid maakt en met sommigen, zoals met Israël, een bijzondere band aangaat, dan wil Hij hen nooit brengen tot zo’n idee van ‘wij’ tegenover ‘zij’. Want zo’n wij-zij denken kan zomaar leiden tot uitsluiting en demonisering; en tot het idee dat het met onszelf dus wel goed zit. Tegen beide ideeën maakt de Bijbel bezwaar.

Heel opmerkelijk las ik deze week een vergelijkbaar protest tegen het wij-zij denken van een rabbijn, naar aanleiding van het Purimfeest, dat ook juist deze week gevierd werd. Hieraan voorafgaand wordt altijd een deel uit de Thora gelezen: ‘Gedenk wat Amalek u gedaan heeft’ (Deuterenomium 25:17-19). De herinnering aan Amalek moet worden uitgewist. Zo moeten uiteindelijk alle vijanden van het Joodse volk het afleggen tegenover de God die ons bevrijdt. Dat wordt op Purim gevierd, als herinnering aan de bevrijding van Haman in de tijd van Esther. Maar nu moeten we wel opletten, schreef deze rabbijn. Amalek en Haman staan niet alleen buiten ons, maar zitten ook in ons. Het is te makkelijk om iedereen die ons vijandig gezind is als ‘zij’ te bestempelen, waar ‘wij’ het van zullen winnen met Gods hulp. Daar gaat het niet om op het Purimfeest. Nee, het boek Esther laat ons ook naar binnen kijken. Wat doe jij zelf tegen het kwaad op de plaats waar God je heeft neergezet, zoals Esther? En waar zit het kwaad bij jouzelf, dat moet worden uitgeroeid? Geen zelfgenoegzaam ‘wij’ tegenover een demonisch ‘zij’, maar een kritische blik, ook naar binnen.

Opeens staat dit Purim niet zo ver meer af van wat de christelijke gemeente viert in deze zelfde periode. Als iemand ons geleerd heeft om niet in een zelfgenoegzaam ‘wij’ tegenover ‘zij’ te gaan staan, dan Jezus. Hij is gekomen om in te sluiten in zijn liefde. Hij werd het Paaslam, geslacht voor mensen die beseffen: wij zijn níet meer. Integendeel: ook ons bloed had moeten vloeien. Daarom smeerde Israël het bloed van het lam aan de deurpost, omdat zij niet méér waren dan de onderdrukkende Egyptenaren, die rotlui. Het is niet vanzelfsprekend dat de engel van de dood aan hun deur voorbijgaat. Dat viert Israël straks opnieuw met Pesach. En dat heeft de kerk gevierd, door te kijken naar het Paaslam dat voor ons geslacht is. Hij laat ons zien: jullie zijn niet meer. Laat je daarom niet meenemen in een denken alsof je dat wel zou zijn.

Dat zet ons na Pasen opnieuw op de plek van Esther, om na te denken over de vraag: wat doe ik om te strijden tegen het kwaad, ook dichtbij? En hoe laat ik zien dat het evangelie niet wil demoniseren, maar wil insluiten? Misschien is het krachtiger om dan niet te zeggen ‘wij zijn met meer’, maar eerder: wij zijn niet meer. Dat kan nieuwsgierig maken naar Hem die wél meer is en dat heeft laten zien met Pasen.

Michael Mulder is ​universitair docent Nieuwe Testament en Judaïca aan de Theologische Universiteit Apeldoorn.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief

Gerelateerde artikelen:

Nieuws