Theologenblog: Menselijk en Goddelijk handelen

<p>Arnold Huijgen</p> Theologenblog

Arnold Huijgen

| beeld nd

Het blijft waardevol dat oude ketterijen en hun nieuwe jassen onder kritiek worden gesteld, betoogt Arnold Huijgen.

Als de Rooms-Katholieke Congregatie voor de Geloofsleer een brief publiceert over hoe mensen gered worden, ga je als gereformeerd theoloog even op het puntje van je stoel zitten. Zeker als je ziet dat de brief opent met een aanhaling uit Paulus’ brief aan de Efeziërs over Gods welbehagen.

Het gaat de opstellers van de brief ‘Placuit Deo’ erom in te spelen op twee culturele fenomenen. In de eerste plaats het individualisme, dat benadrukt dat menselijke zelfontplooiing afhangt van onze autonome inzet. Christus is dan vooral een goed voorbeeld. In de tweede plaats een puur innerlijke visie op redding, waarbij de wereld er niet meer toe doet.

De brief verklaart deze fenomenen als herlevingen van de oudkerkelijke ketterijen van pelagianisme en gnosticisme. Pelagianisme komt van Pelagius, die leerde dat de mens door eigen inspanning gered kan worden. Augustinus werd daarom zijn grote tegenstander. Gnostiek draaide om het verwerven van echte kennis en je afkeren van de wereld van de materie.

Beide doen Christus tekort: het pelagianisme ziet eraan voorbij dat zelfverwerkelijking alleen mogelijk is door Gods genade in Christus en het gnosticisme vergeet dat Christus vlees is geworden en dat de materie er dus wel degelijk toe doet. Dat is scherp gezien.

De brief stelt tegen het pelagianisme dat het onrustige verlangen van de mens naar God niet gestild kan worden door zelfverwerkelijking, maar dat alleen God dat kan doen. ‘De complete redding van de menselijke persoon bestaat niet in de dingen die de mens zelf kan verwerven, zoals bezittingen, materiële welstand, kennis of vaardigheden, macht of invloed op anderen, goede reputatie of tevredenheid’, zegt de brief onder verwijzing naar Thomas van Aquino.

Bij deze toespitsing van pelagianisme op aardse goederen, hedonisme en materialisme begin ik echter te aarzelen. Natuurlijk combineert het mooi: materialistisch pelagianisme tegenover non-materieel gnosticisme, maar is het ook waar?

In een voetnoot (nummer 9) wordt een correcte weergave gegeven van pelagianisme: de mens heeft alleen genade nodig als hulp van Gods kant, maar moet het heil zelf bewerken. De lijn van pelagianisme naar autonomie is veel sterker dan de lijn naar individualisme, en de lijn naar materialisme is wat gezochter, meer indirect. Het lijkt me dat wat men eigenlijk op de korrel neemt beter met epicurisme aangeduid zou kunnen worden. Dat ziet er in een hedendaagse gestalte uit als het onbegrensd willen genieten van het concrete leven.

Dit lijkt misschien een woordenspel, maar doordat de brief pelagianisme vooral als individualisme typeert, dreigt vergeten te worden dat het in de eerste plaats een ‘moralistische’ of ‘synergistische’ verlossingsleer betreft; dat wil zeggen: je wordt verlost doordat je goed je best doet en met God samenwerkt. Dat probleem wordt vooral voelbaar in paragraaf 9, waar de ‘ongelooflijke synergie tussen Gods handelen en menselijk handelen’ in Christus wordt geprezen als argument tégen het pelagianisme. Daar heeft toch echt een betekenisverschuiving plaatsgevonden: de positie die wordt verdedigd, is zélf eerder semi-pelagiaans dan een argument tegen het pelagianisme.

Nu is het heel protestants om direct af te vliegen op de definitie van termen en te wegen wat er in de tekst zelf gebeurt (sola scriptura!). Maar deze tekst ligt er natuurlijk niet zomaar. Paus Franciscus heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk gewaarschuwd tegen pelagianisme, bijvoorbeeld in zijn apostolische aansporing Evangelii Gaudium (94). Daarin schreef hij over het ‘neopelagianisme van hen die uiteindelijk alleen maar vertrouwen op eigen kracht en zich verheven voelen boven de anderen, omdat zij zich aan bepaalde normen houden of omdat zij onwrikbaar trouw zijn aan een zekere katholieke stijl die eigen is aan het verleden’.

Met neopelagianisme bedoelt de paus daar dus een rigide vasthouden aan oude tradities en een veroordelende houding tegenover anderen. Er tegenover stelde de paus bijvoorbeeld in een toespraak in Florence in 2015 het adagium dat de kerk telkens vernieuwd moet worden.

Het gaat in deze brief dus niet zomaar om een culturele analyse, maar ook om uitleg van eerdere pauselijke kritiek op pelagianisme en gnosticisme. In dat verband valt het op dat het document maar één keer de term ‘katholiek’ gebruikt. Zou dat kunnen wijzen op een groeiende openheid richting andere religies?

Hoe het kerkpolitiek dan ook zit, het blijft waardevol dat oude ketterijen en hun nieuwe jassen onder kritiek worden gesteld. Terecht wijst Placuit Deo gnosticisme en individualisme af. Over (semi)pelagianisme had het document echter scherper mogen zijn.

Arnold Huijgen is hoogleraar systematische theologie. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?

Nieuws