Theologenblog: Bidden na Jeffrey Epstein

Theologenblog
beeld nd

De huiveringwekkende en rauwe woorden van Psalm 58 zijn gezongen in een situatie van uitzichtloosheid, waarin daders het recht ontlopen. Arjan van den Os blogt over de vraag of slachtoffers van Jeffrey Epstein dit ook mogen bidden.

De laatste tijd stroomt er meer informatie binnen over de Amerikaanse miljardair Jeffrey Epstein. De steenrijke zakenman werd verdacht van mensenhandel en grootschalig seksueel misbruik van minderjarige meisjes. Hij zou zijn invloed en middelen gebruikt hebben om mensen te laten zwijgen en aanklachten tegen hem te laten vallen. Voor veel bekende personen als prins Andrew van Engeland, president Donald Trump en anderen waren deze aanklachten pijnlijk, omdat zij jarenlang vriendschappelijke banden met Epstein onderhielden. 

Inmiddels is zowel aan deze misdaden als de vriendschappelijke banden een definitief einde gekomen. Op 10 augustus 2019 kwam Jeffrey Epstein in zijn cel om het leven, hoogstwaarschijnlijk door zelfmoord. Hij zal nooit terecht staan voor de misdaden die hij heeft begaan.

Het gegeven dat Epstein nooit verantwoording zou moeten afleggen voor wat hij gedaan heeft steekt de slachtoffers. Na het horen van het nieuws van Epsteins dood gaf een van de slachtoffers aan kwaad te zijn. Zij was boos dat zij Epstein nooit recht in de ogen kon aankijken en hij het leed bij zijn slachtoffers nooit zou zien. De slachtoffers moeten leven met de littekens, terwijl Epstein door zijn dood ‘vrijuit’ gaat.

Epstein lijkt door zijn dood zijn straf te ontgaan, terwijl zijn slachtoffers met de wonden en de vragen achterblijven. Met deze bewering komen wij ook in het hart van de bijbelse klaagliederen terecht. Ook in de Bijbel klagen mensen over hun lot, over dezelfde situatie als de slachtoffers van Epstein. Daders dreigen hun gerechte straf te ontlopen. Zij zijn met hun macht en heerschappij in staat om het recht te verbuigen en zonder consequenties ermee weg te komen. De dichters hebben niets in zichzelf om zich te verdedigen: de middelen zijn ontoereikend.

Daarom gaat de roep uit naar God. 

Een voorbeeld hiervan is Psalm 58. In een situatie van krom recht en verdorven daders wordt er tot God gebeden. De dichter roept uit: ‘God, breek hun tanden in hun mond’ (vers 7). Hij bezingt de toekomst: ‘De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet’ (vers 11). Huiveringwekkende en rauwe woorden, gezongen in een situatie van uitzichtloosheid.

Deze woorden klinken ons als westerlingen vreemd en wreed in de oren. Veelal levend in een veilige omgeving en verstoken van enige bedreiging van ons bestaan of van enige misdaad, kunnen wij ons vaak niet voorstellen hoe diep het lijden van slachtoffers soms gaan, hoe uitzichtloos de toekomst is en hoe machteloos een mens zich kan voelen. Psalm 58 geeft woorden aan deze situatie: soms is er geen uitzicht en gaan daders vrijuit. Dat is de rauwe werkelijkheid. Er is echter een Rechter in de hemel voor wie iedereen rekenschap moet afleggen. Hij die noch corrupt noch omkoopbaar is. Bij de Allerhoogste gaan daders niet vrijuit, maar moeten zich voor Hem verantwoorden. De dichter kan daarom zijn situatie in Gods handen leggen: God gaat recht doen, ook als niemand op aarde dat doet.

De spannende vraag is: mogen wij deze woorden nog bidden? Mogen de slachtoffers van Epstein deze woorden gebruiken in hun gebed? Ja en nee. Psalm 58 legt de controle van de situatie en het lot van de daders in Gods handen met de vraag of God voor het goede wil opkomen en recht wil doen in de zaak van de dichter. De realiteit wijst echter uit dat vaak gevoelens van rancune en excessief ingrijpen meekomen bij een dergelijk gebed. Het gebed wordt onzuiver. Dietrich Bonhoeffer wijst in een preek over deze psalm uit 1937 op Christus. Zijn kruisweg was een weg van onrechtvaardige behandeling en volkomen verlatenheid. Hij hing daar vanwege onze zonden en onzuiverheden. Hij kon het gebed van Psalm 58 bidden als slachtoffer, maar deed het niet. 

Dat moet ons voorzichtig en bescheiden maken om na Christus dit gebed wel voor onszelf te bidden. Wie zijn wij om woorden te gebruiken die Christus in zijn lijdenssituatie niet gebruikt? Letterlijk zijn de woorden van Psalm 58 in een andere context van de heilsgeschiedenis geschreven en dus voor ons niet te bidden. De theologische spits van de psalm blijft in Christus echter fier overeind staan. God is Rechter en Hij zal recht doen, ook als er geen recht is of het recht corrupt is (Lukas 18:1-8). Hij is de God die opkomt voor de zwakken en verdrukten als Wreker (2 Thessalonicensen. 1:1-12). 

Slachtoffers mogen daarom hun situaties in zijn handen leggen, in het vertrouwen dat hun gebed gehoord wordt en er recht voor hen gedaan wordt. Ook al is de dader overleden. Belijden wij het niet elke zondag: ‘Hij zal komen om te oordelen de levenden en de doden’? Epstein en vele andere daders zullen hun straf niet ontgaan. Wellicht voor aardse rechters, maar nooit voor de Hemelse Rechtsheer. 

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?

Nieuws