Theologenblog: Bid op vaste momenten

Theologenblog

Als je uitgetild wilt worden boven een eenzijdige individuele gerichtheid moet je op vaste tijden bidden. Dan verbind je je met het gehele volk van God, schrijft Michael Mulder.

Vorige week woonde ik een lezing bij ​waarin recent onderzoek werd gepresenteerd over Joodse gebedsteksten uit de tijd van het Nieuwe Testament. Een promovendus aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, Rebekah Haigh, suggereerde dat de gebeden uit het Joodse gebedenboek veel ouder blijken te zijn dan vaak is aangenomen. Het gebedenboek stamt uit de middeleeuwen, maar er blijken grote overeenkomsten te zijn met gebedsteksten die gevonden zijn in de Dode Zee-rollen, geschriften van de gemeenschap die leefde in Qumran. 

Bijzonder interessant vond ik de opmerking dat dat ook geldt voor de tijden waarop men bad. In de synagoge wordt drie keer per dag gebeden.

De rabbijnse traditie heeft dit dagelijkse gebedsritme verbonden met de tijden van het dagelijkse offer in de tempel. Dat leverde een probleem op, want de Bijbel kent slechts twee dagelijkse offers (het morgen- en avondoffer, Num. 28:3,4,8). De energie die de Talmoed er in steekt om toch te laten zien dat alle drie de gebedstijden verbonden dienden te worden met de offerdienst in de tempel, wijst erop dat deze verbinding voor de rabbijnen van groot belang was (Berachot 26b). Volgens veel geleerden gaat het hier om een gedachte die van veel later datum is. Het is mooi om zo de gebedsdienst te presenteren als de offerdienst van het hart en te plaatsen op de tijden van de offers in de tempel, maar historisch zou dit niet kloppen. 

Toch laat het onderzoek naar de gebeden in de Qumran-geschriften nu zien, dat er wel degelijk al heel vroeg vergelijkbare associaties gemaakt werden. Ook in Qumran worden de gebeden verbonden met de inhoud en de tijden van de diensten in de tempel. Op verschillende plaatsen wordt de gemeenschap bovendien opgeroepen om ‘s morgens, op het middaguur en ‘s avonds te bidden. Dat maakt het aannemelijk dat er in die tijd dus meer uren van gebed waren, ook in de tempel, dan alleen de twee momenten van Numeri 28. In elk geval wist men zich in Qumran op de tijden van gebed verbonden met wat er in de tempel gebeurde, toen die er nog was, terwijl zij er ver vandaan leefden in de woestijn. 

Waarom is dit nu zo interessant? Omdat we in het boek Handelingen lezen dat de eerste christelijke gemeente ook  specifieke tijden van het gebed kende en er tal van aanwijzingen zijn dat de eerste christenen zich metterdaad één wisten met het gebed dat op diezelfde momenten in de tempel gebeden werd. Daarmee bleven zij dus hetzelfde doen als wat veel van hun Joodse volksgenoten deden. 

Cornelius kreeg op het negende uur van de dag van een engel te horen dat zijn gebeden verhoord waren (Hand. 10:3). Dat negende uur is volgens Handelingen 3:1 het uur waarop men in de tempel ging bidden (tijdens het avondoffer). Als Cornelius zijn verhaal vertelt, is de gemeente ook weer samen op precies dat negende uur (Hand. 11:30). Het feit dat Lucas deze uren erbij vermeldt, ​is veelzeggend. Tot nog toe werd er vanuit gegaan dat het uur waarop Petrus in diezelfde geschiedenis bidt, namelijk het zesde uur (rond 12.00 uur), geen gebedstijd in de tempel was. Het genoemde onderzoek toont echter dat het middaguur voor velen in die tijd wel degelijk een gebedstijd was, waarschijnlijk dus ook in de tempel. Dat maakt het nog beter te begrijpen dat Lucas ook hier het precieze tijdstip noemt, waarmee hij impliciet de verbondenheid tussen het gebed van Petrus en dat van de verzamelde gemeente in de tempel onderstreept.

Wat zegt zo’n detailonderzoek nu voor ons? Allereerst worden we eraan herinnerd hoe de tempeldienst voor de eerste christenen van grote betekenis bleef, zelfs in de dagelijkse gebeden. Zij zagen hun dienst aan God niet los van die éne centrale plek, die nog steeds centraal staat in tal van Joodse gebeden. Om dat te laten zien organiseerde het studiecentrum van Messiaanse Joden in Jeruzalem de genoemde lezing, in de hoop ook vandaag bruggen te slaan tussen Joden en christenen, alleen al door dit liturgische besef nieuw leven in te blazen. 

Vervolgens laten de teksten uit Handelingen over de tijden van het gebed een belangrijk aspect zien van de persoonlijke gebeden, zoals van Cornelius en van Petrus. Deze waren voor hen geen individuele geloofsexpressies op momenten dat het hun uitkwam. Het leven van de eerste christenen kende net als dat van hun Joodse tijdgenoten vaste tijden voor de omgang met God. Ook dit kan een verrijking zijn voor de beleving van ons persoonlijke gebed.

​​Bidden op vaste tijden helpt om uitgetild te worden boven een eenzijdige individuele gerichtheid en verbind je in het gebed met het gehele volk van God.

PDF Print Stuur door

Wil je elke dag onze nieuwsbrief met gratis artikel?

Nieuws