Theologenblog: Als het land je moeder is

Theologenblog
beeld nd

Koert van Bekkum schrijft over twee voorbeeldfiguren van ‘het wonder en de tragiek van de moderne staat Israël’. Het gaat niet samen, Joden én Palestijnen op dezelfde grond. Nog niet.   

Half februari kwamen het wonder en de tragiek van de moderne staat Israël weer in beeld door twee – weinig opzienbarende, maar veelzeggende – gebeurtenissen: in Jeruzalem overleed de Israëlische historisch-geograaf Zecharia Kallai (1923-2016) en in Houten bezocht de Palestijnse christen Daoud Nassar uit Bethlehem een middag voor de Nederlandse vrienden van zijn boerderij en vredesproject Tent of Nations.

De fascinerende levensgang van Zecharia Kallai weerspiegelt die van het volk Israël in de twintigste eeuw. Hij werd als Zecharia Kleinmann in 1923 in Wenen geboren. Twee jaar later verhuisde hij met zijn ouders naar Berlijn, waarna het gezin in 1934 vanwege het Europese antisemitisme en hun zionistische idealen vertrok naar Palestina. Daar studeerde de jongeman, die zich nu Kallai noemde, vanaf 1945 in Jeruzalem aan de Hebrew University, onderbroken door dienst in het leger van Israël tijdens de onafhankelijkheidsoorlog van 1948. Nadien deed Kallai ononderbroken onderzoek naar de historische geografie van zijn nieuwe land, steeds aan de Hebrew University. Eerst naast zijn werk als pianobouwer, later als docent en (emeritus) hoogleraar.

Kallai verbond zijn intieme vertrouwdheid met het land met alle kennis die daarover eerder door Britten, Fransen en Duitsers was verzameld. Als geen ander wist hij met behulp daarvan vaste patronen en concepten te ontwaren in teksten die Bijbellezers vaak overslaan: de beschrijvingen van grenzen en stamgebieden in bijvoorbeeld Jozua en Kronieken. Zo werd Kallai een van degenen die het aanzien van de Bijbelwetenschap voorgoed veranderden: Bijbelse geografie gaat niet alleen over namen en plaatsen, maar draagt ook volop bij aan de bezinning op de historiografische compositie en boodschap van Bijbelboeken!

Het verhaal van Daoed Nassar (1970) is nauw verbonden met een soortgelijke liefde voor het land. In 1991 ontving de familie Nassar bericht dat hun landbouwgrond tussen Bethlehem en Hebron van de staat Israël zou zijn. Het was het begin van een onteigeningsprocedure, waartegen verzet veelal zinloos is. In dit geval had grootvader Nassar de eigendomsrechten echter al in 1916 bij de Ottomaanse autoriteiten laten registreren. Daoud en zijn broer besloten daarom tot geweldloos verzet door middel van procedures bij het Israëlische Hooggerechtshof en oprichting van hun biologische boerderij en ontmoetingscentrum, onder het motto ‘Wij weigeren vijanden te zijn’.

Tot nu toe heeft Nassar alle rechtszaken gewonnen. Hem werd zelfs een blanco cheque geboden, als hij maar zou afzien van zijn recht. ‘Maar’, zegt hij, ‘dit land is mijn moeder. Hoe zou ik mijn moeder kunnen verkopen?’ Intussen is de rekening torenhoog: meer dan anderhalve ton proceskosten en een stuk land dat is afgesloten van water en stroom en omringd door de nederzettingen van Gush Etzion. In 2014 vernielden bulldozers vijftienhonderd vruchtbomen op de akkers. Geen wonder dat Nassars Nederlandse vrienden de toekomst inmiddels somber inzien.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Dat verhaal, waarbij het verleden van Kallai en de familie Nassar elkaar raken, is verteld door de Israëlische journalist en politicus Meron Benvenisti in zijn boek Sacred Landscape. The Buried History of the Holy Land since 1948 (2000). Ook Benvenisti komt uit een zionistische familie. Als kind ging hij in de jaren vijftig vaak mee met zijn vader, die voor de Israëlische oudheidkundige autoriteiten het landschap verkende om Bijbelse plaatsen te lokaliseren. Hij stond opvallend vaak op goede voet met de Arabische bewoners. Maar een halve eeuw later, constateert Benvenisti, heeft juist het werk van zijn vader geresulteerd in de verwoesting van de Palestijnse infrastructuur in het land.

Soms had dat te maken met agressie van Arabische zijde. Andere keren gebeurde het gewoon, zoals bij Salbit, het Bijbelse Saälbim, dat in 1948 eerst duizenden vluchtelingen te verstouwen kreeg na de zogenoemde dodenmarsen uit Lydda en Ramle, en daarna in de vuurlinie kwam te liggen bij de gevechten om Latrun. Het stadje werd compleet verwoest. Waarna in 1951 de kibboets Shaalbim de plek van het dorp innam.

Maar meestal was het een sluipend proces. Gedetailleerd, maar ook met ingehouden woede en schaamte brengt Benvenisti het in kaart. De vreugde over het nieuwe land en de behoefte aan zelfbescherming waren groot. Maar hoe gerechtvaardigd was het om mensen eerst in de staat Israël zelf en daarna in de in 1967 veroverde gebieden op de Westbank hun rechten te ontzeggen?

Het werk van Kallai maakt duidelijk dat de beleving van de geografische werkelijkheid grotendeels wordt bepaald door de namen die je het land geeft. In de Bijbel. En vandaag niet minder. De namen van verdwenen Arabische dorpen staan alleen nog op de kaarten van de British Survey of Palestine. Tegelijk heten Israël en Jeruzalem overal in de Arabische wereld Palestina en al-Quds. Hoe bot kan een ontkenning zijn?

Welk mens onder de hemel had de vervolgde Zecharia Kleinmann zijn toekomst in het beloofde land durven ontzeggen? Welke medechristen zou Daoud Nassar en zijn familie niet toewensen dat ze gewoon hun land kunnen blijven bewerken? Het gaat echter niet samen. Niet in het Israël van vandaag. Niet in de wereld zoals die nu is.

Koert van Bekkum is universitair docent Oude Testament. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief

Nieuws