Zo kwam onze berichtgeving over Israël deze week tot stand

Opinie
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

‘Abba, wat schrijf je over Gaza?’ Die vraag stelde de dochter van rabbi Donniel Hartman hem maandagavond door de telefoon. Maar hij had nog geen woord op papier gekregen: ‘Gaza verlamt mij tot stilte’.

Toen hij alsnog aan begon, memoreerde hij een bekend verhaal uit de rabbijnse traditie. ‘Toen de Egyptenaren – een grotere macht en vijand dan de Palestijnen – omkwamen in de Rietzee, hieven de engelen een loflied aan voor God. Maar God legde hun het zwijgen op, met de woorden: Mijn schepping komt om in de zee, en jullie zingen een loflied?!’

Terwijl rabbi Hartman gebeld werd door zijn dochter, probeerden ook op onze redactie een paar mensen de gebeurtenissen in Gaza te beschrijven, voor de krant van dinsdag. ‘Verlamd zwijgen’ was geen optie voor hen: een bureauredacteur, de buitenlandcommentator en een eindredacteur.

verschillende rollen

Die drie collega’s hebben verschillende rollen. De bureauredacteur probeert op basis van zo veel mogelijk, als betrouwbaar geldende internationale en Israëlische bronnen te beschrijven wat er bij de grens van de Gazastrook gebeurde. En wat daarvan de voorgeschiedenis was, en hoe verschillende partijen de gebeurtenissen benoemden.

De buitenlandcommentator heeft een andere rol: hij schrijft hoe wij als krant zélf de gebeurtenissen zien. ‘Het waren niet de Amerikaanse of de Israëlische regering die de betogers richting hun dood stuurden. (...) De doden waren een mensenoffer van Hamas aan de eigen ideologie van haat en dood.’ Die tekst was niet maar een persoonlijke mening, ergens op de opiniepagina. Deze duiding was ‘het hoofdredactioneel commentaar’.

De eindredacteur, als derde, houdt het overzicht. Hij ziet erop toe dat de krant zich juist onder heftige omstandigheden als deze houdt aan een gulden regel van de journalistiek: de scheiding van nieuws en commentaar. Verder bewaakt hij de samenhang van beide teksten: op de voorpagina moeten niet ándere getallen genoemd worden dan in het commentaar. En hij beslist uiteindelijk welke kop er boven het nieuwsbericht komt. Het was dus deze derde collega die, wétende dat wij als krant Hamas verantwoordelijk hielden voor het offer van tientallen mensenlevens, de kop van de voorpagina naar de drukker stuurde: ‘Israëlisch leger richt bloedbad aan in Gaza’. Dat woord bloedbad moest de omvang en impact aanduiden van de confrontatie bij de grens; een ontstellend groot aantal doden en gewonden. En: het was de legerleiding zélf die nauwkeurig rapporteerde hoeveel slachtoffers haar scherpschutters hadden gemaakt.

Ik schrijf deze reconstructie van een avond op de redactie, om uit te leggen hoe teksten en formuleringen tot stand komen en hoe ze gelezen moeten worden. De kop op de voorpagina is niet bedoeld als aanwijzing van de schuldige, maar als feitelijke weergave. Een bericht onder de kop ‘Politie schiet crimineel neer’ wordt ook niet als aanklacht tegen de politie gelezen, zeker niet wanneer verderop in de tekst gemeld wordt dat het slachtoffer gold als ‘vuurwapengevaarlijk’?

De berichtgeving over Israël en de Palestijnen roept traditiegetrouw heftige reacties op. Daar zijn we aan gewend, maar het wordt vervelend als lezers denken dat de commentator vanuit zijn hokje de schrijver van het nieuwsbericht een tik op de vingers gaf.

verzwijgen

Een ander populair genre van wantrouwende reacties is: ‘Waarom verzwijgen jullie dat ...’ Een voorbeeld daarvan deze week was een uitspraak van Hamas-woordvoerder Salah Bardawil voor de camera van Baladna TV in Gaza, dat vijftig van de slachtoffers ‘van Hamas waren’. Het televisiefragment van negen seconden werd eindeloos gedeeld op sociale media, steeds met de toegevoegde boodschap: ‘Zie je wel, het waren geen onschuldige en ongewapende demonstranten die het leger doodde, maar terroristen van Hamas.’

Waarom neemt het Nederlands Dagblad niet gewoon over dat vijftig van de slachtoffers Hamas-strijders waren? Ten eerste omdat Bardawil de énige bron was voor dat getal, en als woordvoerder in een propaganda-oorlog vinden we hem niet bijster betrouwbaar. Voorts: de context van het fragmentje, was dat Bardawil zich verweerde tegen de beschuldiging dat Hamas mensen als pionnen gebruikte; in reactie daarop probeerde hij de martelaarsrol van Hamas juist heel groot te maken. Ten derde: wat betekent het eigenlijk, als zo veel slachtoffers ‘van Hamas’ waren – niet elke aanhanger van die beweging is een gewapende terrorist die zonder rechtszaak kan worden doodgeschoten. En ten vierde: Israël zelf, dat z’n informatievoorziening doorgaans goed op orde heeft, noemde ándere aantallen.

blindelings

Sociale-mediagebruikers die op voorhand weten dat ze ‘pal achter Israël staan’ of juist onvoorwaardelijk opkomen tegen het onrecht dat de Palestijnen wordt aangedaan, kunnen in deze dagen hun hart ophalen. Ze liken of retweeten ieder bericht dat in hun straatje past, blindelings. En dan vaak ook nog met de toevoeging ‘waarom verzwijgen alle media dit ...’ Het antwoord is eenvoudig: juist in een propaganda-oorlog zoals die nu gaande is, kun je als professionele krant niet alles doortetteren wat je wordt toegestuurd. De zoektocht naar betrouwbare informatie vergt tijd en professionaliteit, méér dan het bevestigen van meningen die toch al vaststonden. <

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?