Schaf het recht op vrije meningsuiting af

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Waarom konden ze het niet gewoon laten?

Asielzoekers uit Ter Apel kregen onlangs een gratis kaartje voor de wedstrijd Groningen-FC Twente. Onmiddellijk begonnen boze Groningen-supporters te mopperen: waarom mogen zij gratis terwijl wij moeten sappelen om die dure kaartjes te betalen?

Gelukkig reageerde de voorzitter van de supportersclub op radio 1 met een mengeling van onverzettelijkheid, nuchterheid, betrokkenheid en clubtrots: dit is een mooi gebaar. Ook al hebben ze geen idee wie er tegen wie speelt, een potje voetbal kijken biedt hen iets waar ze naar snakken: ontspanning. En het is mooi dat mijn club hun dat biedt.

Daarmee was de kous af. Voorzover ik weet, is het protest daarna verstomd. En toch blijft die vraag irriteren, als een soort jeuk tussen je schouderbladen, waar je bovenlangs en onderlangs maar niet bij kunt: waarom konden ze het niet gewoon laten? Waarom kun je af en toe niet gewoon je mond houden? En, dieper: waarom doen mensen onbedaarlijk hun mond open, terwijl ze zélf geen antwoord, geen weerwoord dulden?

Het antwoord moet ergens liggen in de hoek van de ‘dikke ik’, maar niet zoals Mark Rutte die term hanteert.

Veel reaguurders op internetsites en hordes twitteraars hebben een ‘dikke ik’. Ze vinden overal wat van – liefst zo stevig mogelijk – en ze vinden vooral dat ze het récht hebben dat te vinden. En ze dulden geen tegenspraak, ze staan niet open voor een antwoord. Ze openen het gesprek niet, ze vaardigen dictaten uit. Ze gebruiken hun vrije democratische recht, maar ze vestigen de dictatuur van de meningsuiting.

De dokter vraagt tegenwoordig beleefd (bang?) wat u zelf denkt dat u mankeert. Hij weet namelijk dat u dat allang op internet heeft uitgezocht, u hebt daar een stevige mening over, en hij moet van goeden huize komen om iets anders te vinden. Vooral als hij tot de conclusie komt dat u per saldo niet zo heel ernstig bent aangedaan, en uw klacht met wat rust en tijd vanzelf wel overgaat. ‘O, dus u vindt dat ik zeur!?’

Ook christenen. Veel christenen zijn ‘dikke ikken’. En dan vooral gereformeerde en evangelische christenen. Die niet kunnen wachten om hun dominee op te wachten. Die je met het heilig zwaard der eigen inzichten voor de deur van de consistorie ziet liggen om de predikant te confronteren met zijn gebrek aan inzicht.

Als ze al voor de deur liggen. Want dan moet je het hem persóónlijk zeggen, en dan bestaat de kans – als hij tenminste al niet volstrekt murw is – dat hij iets terug zegt. En dan moet je weer nadenken, en dat is lastig.

Christelijke dikke ikken mailen liever, of ze schrijven nog ouderwetse brieven. Maar hoe gevoelig zijn ze voor het antwoord? Veel dikke ikken trekken zich terug aan de koffietafel, mokkend over al wat in hun ogen geen genade vinden kan. Zonder tegenstem.

Krantenlezers! Krantenlezers sturen ingezonden stukken waar de vonken vanaf vliegen. Soms moet een opinieredacteur tegen een ingezondenstukkenschrijver zeggen dat zijn stuk niet geplaatst wordt, omdat het punt dat hij maakt al door een andere ingezondenstukkenschrijver gemaakt is. En dan wordt die ingezondenstukkenschrijver heel boos, omdat het punt dan wellicht reeds gemaakt is, maar nog niet door hem!

Deze alomtegenwoordige ‘dikke ik’ is de ‘ik’ die alles wat hij hoort of ziet aan zichzelf relateert. De ‘ik’ die vindt dat hij overal wat van mag of moet vinden. Nu mag dat best. Als je een gesprek start, neem je jezelf mee. Maar de moderne ‘dikke ik’ vindt vervolgens dat de politiek, de kerk, de wereld zich moet voegen naar zijn inzichten. Een gesprek is niet de bedoeling. Een echt gesprek is gevaarlijk, want een echte uitwisseling van gedachten en argumenten kan ertoe leiden dat jij je mening moet bijstellen. Hoe dikker de ik, hoe lastiger dat is. Van mening veranderen, ongelijk erkennen – en dus wijzer worden – is het ergste dat de dikke ik kan overkomen.

Kun je die dikke ikken laten stikken? Om het met de psalmdichter van 1773 te zeggen: ze laten vergaan in eigenwaan? Nee. De dikke ikken vormen een groot probleem. Een probleem dat als we niet oppassen de politiek, de samenleving, de kerk, de krant zomaar lam legt. Ze maken namelijk het gesprek onmogelijk.

Wat moet de opinieredacteur nog zeggen tegen die ingezondenstukkenschrijver die vindt dat een punt pas gemaakt is als hij het gemaakt heeft? ‘Ik vind van niet’?

Wat moet de predikant nog zeggen tegen de heiligzwaardzwaaier? Wat moet de dokter zeggen tegen de vrouw die zichzelf iets ernstigs aanpraat? Hoe reageer je genuanceerd op een botte tweet – in 140 tekens max?

Voor het geval er iemand denkt dat ik nu als journalist en voorganger mijn eigen stoepje aan het schoonvegen ben: dit stuk is geboren in pijn. Het feit dat wij niet meer kunnen praten, niet meer kunnen discussiëren, het niet meer oneens kunnen zijn zonder dat ons ‘dikke ik’ in het gedrang komt, leidde afgelopen zondag tot een schrijnend moment.

Aanstaande zondag stemt mijn gemeente over de vraag of ik haar nieuwe predikant moet worden. Daarvan zijn voorstanders en tegenstanders. Een van de tegenstanders is een bejaarde broeder uit mijn eigen wijk. Hij zocht daarover het gesprek. Niet dat hij dat gemakkelijk vindt, hij moest echt een drempel over. Maar hij wilde het vizier open houden. Zijn kernbezwaar: hij vindt mijn manier van preken oppervlakkig, en hij legde erbij uit waarom. We hadden daarover een goed gesprek, hij legde nadrukkelijk uit dat het niet persoonlijk was, en zo ervoer ik het ook niet. Ik was blij met zijn openheid. Zo hoort het! We verschillen van mening, natuurlijk, maar – mag ik dat even oudvaderlands zeggen? – in ware broederlijke liefde. Bovendien: de kerkenraad vraagt deze broeder om zijn mening: is dit de prediking die u de komende tijd wilt blijven horen? Het antwoord van mijn broeder, met redenen omkleed, luidt: ‘nee’.

Afgelopen zondag. Avondmaalszondag, en daarmee: wijkavond, ditmaal bij ons thuis. Na de middagdienst schiet de broeder mijn vrouw aan: ze willen wel graag naar de wijkavond komen. Mijn vrouw was verbaasd. Natuurlijk willen ze dat, ze zijn er immers altijd. Het punt, zo bleek, was dat de broeder zich afvroeg of hij, nu hij kenbaar had gemaakt dat hij tegen een beroep op mij zou stemmen, nog wel welkom was.

We hadden allebei de tranen in de ogen toen mijn vrouw dit aan me vertelde. Hoe kán dit? We hebben altijd een bijzondere band met deze broeder en zijn vrouw gevoeld, een hartelijke band – en we waarderen hem nóg meer, nu hij de keuze die hem door de kerkenraad gevraagd wordt in een persoonlijk gesprek uitlegt. Dus doet hier degene die het gesprek voert álles goed, en tóch voelt hij daarna schroom in het persoonlijke contact ... we werden er diep verdrietig van.

Dáár leidt het dus toe, die ‘dikke ik’. Dat integere mensen zich belemmerd voelen, omdat nu eenmaal in onze samenleving elk meningsverschil persoonlijk gemaakt wordt.

Stel je een wereld voor, waarin de supporter van FC Groningen besluit bij zo veel asielzoekersleed er maar even het zwijgen toe te doen. Omdat hij beseft dat zijn financiële pijn, zijn ‘ik’ in een zekere verhouding staat tot de pijn van degene die huis, haard en geliefden kwijt is.

Stel je een wereld voor waarin de christen zijn dominee bevraagt in plaats van bestookt.

Stel je een wereld voor waarin de patiënt zich door zijn dokter laat geruststellen!

Stel je een gesprek voor tussen twee mensen die naar elkaar luisteren.

Schaf het recht op vrije meningsuiting af. En vervang het door het recht op vrije meningsuitwisseling.

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?