Niet te snel oordelen over Uruzgan-missie

Een militair op patrouille in Atiq, waar de Nederlandse ISAF-eenheid de veiligheid en rust probeerde te bewaren voor de bevolking van het Afghaanse dorp. Opinie
Een militair op patrouille in Atiq, waar de Nederlandse ISAF-eenheid de veiligheid en rust probeerde te bewaren voor de bevolking van het Afghaanse dorp. | beeld anp / Rick Nederstigt
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

De Nederlandse missie in Uruzgan levert lastige vragen op voor militairen/veteranen en politici. Maar het is nu nog te vroeg om te oordelen dat de operatie daar geen zin heeft gehad.

Met enige regelmaat ontdekt de politiek dat de geschiedenis haar achtervolgt met lastige vragen en verwarrende emoties. Recentelijk heeft de missie van onze krijgsmacht in Afghanistan en in het bijzonder in de provincie Uruzgan zich aangediend als een thema met lastige vragen voor militairen/veteranen en politici.

Algemeen was het oordeel dat de Nederlandse krijgsmacht, gesecondeerd door diplomaten en ontwikkelingswerkers, tijdens de zware missie in de jaren 2006 tot en met 2010 voortreffelijk werk had geleverd. Dat oordeel werd internationaal onderschreven en droeg toen bij aan de internationale reputatie van ons land. In de provincie Uruzgan, waarvoor Nederland als zogenaamde lead nation een eerste verantwoordelijkheid droeg, was de veiligheid van de bevolking aanzienlijk verbeterd, was er vooruitgang geboekt bij de opbouw van basisvoorzieningen van zorg, irrigatie en onderwijs en was een goed begin gemaakt met de training van de Afghaanse krijgsmacht en de politie.

Dat mag allemaal waar zijn, het maakt de recente berichten dat de taliban weer in het offensief zijn en grote delen van Uruzgan hebben veroverd des te schrijnender. Het verbaast niet dat dan vragen worden gesteld naar de zin van onze militaire inspanningen en meer in het bijzonder het sneuvelen van de 25 Nederlandse militairen.

In de Volkskrant van 24 juli stond over deze vragen een eerste, vrij uitvoerig artikel waarin een aantal destijds uitgezonden militairen reageerde op het negatieve nieuws uit hun voormalig inzetgebied. Bij hen is weinig twijfel over de positieve betekenis van hun inzet in die jaren. Tegelijk zijn ze zo reëel uit te spreken dat het hen niet verbaast dat het daar toch weer fout lijkt te gaan. Ze kennen de kwetsbaarheid van het land en de onderontwikkelde staatsstructuur.

De vragen aan de politiek beginnen waar ze het politieke besluit van 2010 om Uruzgan te verlaten bekritiseren. ‘We hebben het gewoon niet afgemaakt.’ Ook klinkt het verwijt dat de verantwoordelijke politici nu niets van zich laten horen. En daar dreigt de aloude kloof weer op te duiken tussen militairen en veteranen die nog dagelijks met hun herinneringen aan die tijd worden geconfronteerd, en politici die eerst en vooral vooruitkijken en weinig aandacht geven aan het verleden, hoe recent in dit geval ook.

veteranenbeleid

Nederland heeft de laatste tien à twintig jaar een volwassen veteranenbeleid ontwikkeld. Dat beleid is allereerst het antwoord op de legitieme behoefte aan erkenning van militairen voor hun inzet, de alleszins gerechtvaardigde aandacht voor fysieke of psychische problemen opgelopen tijdens de operatie en meer waardering vanuit politiek en samenleving.

De behoefte aan erkenning is, zo blijkt altijd weer, voor betrokkenen het meest cruciaal. Wordt dat verwaarloosd, zoals dat lang het geval was met bijvoorbeeld de Indië-veteranen, dan leidt dit tot psychische klachten die decennialang kunnen aanhouden. Het leidt ook tot een vertrouwenskloof tussen de gewezen militairen en de officiële instanties, regering en parlement in de eerste plaats.

Alle partijen hebben er dus belang bij dat politieke en militaire beslissingen uit het verleden met een open en eerlijk oog worden tegemoet getreden. Eventuele misstanden mogen niet worden toegedekt en vragen naar de zin en betekenis mogen zeker niet uit de weg worden gegaan.

grote woorden

Nu moet in het concrete geval van de operatie in Uruzgan ervoor gewaakt worden te snel grote woorden te gebruiken. Het beeld is nog te onhelder om uitspraken te doen over zin en betekenis van het Nederlandse (en NAVO) optreden van nog slechts enkele jaren geleden. Onduidelijk is wat de greep van de taliban is op bijvoorbeeld het leven in de provincie Uruzgan, hoe duurzaam hun successen zijn en wat de kracht is van de Afghaanse krijgsmacht en politie. Het beeld kan zo maar weer kantelen. Zo zijn er hoopgevende berichten dat de taliban en ook Pakistan, dat de taliban altijd steunde, oorlogsmoe aan het worden zijn en bereid zijn tot overleg. Het is nog veel te vroeg daar sterke uitspraken over te doen en dus evenmin over de vraag in hoeverre de NAVO-inspanningen daaraan ten grondslag liggen.

Ten principale gaat het om het volgende. De vragen naar zin en betekenis zijn allereerst beantwoord in de kabinetsstukken waarin tot de operatie werd besloten, en de voortgangsrapportages in de vier jaar van de Uruzgan-operatie. Ook is in 2007 na het sneuvelen van de eerste Nederlandse militair in de Tweede Kamer de vraag naar de zin van diens sneuvelen expliciet aan de orde gesteld en beantwoord.

Dat werd gedaan omdat de regering zich daartoe verplicht wist tegenover de gesneuvelde militair en zijn nabestaanden. Het antwoord werd gegeven in termen van de gestelde doelen van de operatie: de veiligheid en opbouw van Afghanistan.

In de tweede plaats moet scherp in het oog worden gehouden dat de Nederlandse verantwoordelijkheid ophield medio 2010. Als de ontwikkelingen in Afghanistan en in het bijzonder in de provincie Uruzgan jaren later teleurstellend zijn, is dit allereerst een zaak van de thans verantwoordelijke politieke en militaire Afghaanse autoriteiten. Niet meer de Nederlandse!

onvoldoende voortgebouwd

Het geeft dan ook geen pas om met verwijzing naar de tegenvallende ontwikkelingen in het heden te poneren dat de Nederlandse inspanningen in de jaren 2006 tot 2010 geen zin zouden hebben gehad. Hooguit zou, maar daar is het nu nog veel te vroeg voor, op enig moment in de toekomst de conclusie getrokken moeten worden dat op het positieve werk van de Nederlanders door de Afghanen zelf onvoldoende is voortgebouwd. Dat is echter iets anders dan dat het zonder zin en betekenis zou zijn geweest. Wel zou het goed zijn geweest wanneer Nederland nog wat langer een bijdrage had geleverd aan de veiligheid en de opbouw van Uruzgan. Maar dat is een ander verhaal. <

PDF Print Stuur door