Essay: Het gelijk van de godsdienstwaanzinnige

Opinie
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Zowel Herman Finkers als Claudia de Breij gaf een ­oudejaarsconference. De vergelijking is onthullend. In beide shows nam religie een belangrijke plaats in.

De laatste minuut van beide shows vormden het hoogtepunt. En tegelijk bleek daar een verschil.

Maar misschien moet ik eerst uitleggen waarom je überhaupt vindt dat er iets te genieten viel aan Finkers’ oudejaarsshow. Hij kwam immers redelijk prompt met een grap waarin hij de lijn doortrok van Maria’s zwanger worden van de Heilige Geest naar de misbruikschandalen in de kerk.

Ik schrok. Is die grap niet buiten elke proportie? Wordt hier niet gespot met de heilige Geest? Ja, de vergelijking is buiten elke proportie.

Maar Finkers spotte niet met de Heilige Geest.

Na de aanslagen in Parijs ontstond er in Nederland een uitgesproken antireligieus sentiment. Ook Finkers werd aangesproken op zijn geloof. In Finkers’ weergave: ‘Jij bent toch ook godsdienstwaanzinnig?’

Dat is precies goed gezegd. De communis opinio is sinds Parijs dat weldenkende mensen niet meer religieus kunnen zijn – en religieuze mensen niet weldenkend. Imagine, gespeeld door de Duitse pianist Davide Martello, denderde door de media en vooral de zinsneden over religie deden het goed. Imagine no religion ...

Nu was Martello niet de enige die Imagine pakte om het sentiment rond Parijs te verwoorden. Ook een band als Coldplay (toch niet anti-religieus) koos het liedje van John Lennon. Maar Martello bedoelde zijn lied wel degelijk als een aanklacht tegen geloof. ‘Religies vechten met hun bommen in de naam van God, ik vecht met mijn piano in naam van de vrede’, zei hij tegen het muziektijdschrift Rolling Stone.

Ik luisterde in de dagen na Parijs naar Radio1 – mijn nationale, publieke nieuwsradio – en beluisterde daar een studiotafel met mensen die allemaal spontaan, in zalige eenvoud des harten, verklaarden dat de wereld echt een stuk beter af zou zijn zonder religie.

Na dat jaar, waarin godsdienst en waanzin van hetzelfde laken een pak zijn, zegt Finkers publiek: ‘Jawel, ik doe aan katholicisme.’

Maar hoe ga je dan verder?

Voelde Finkers zich genoodzaakt om in een paar extreme grappen zijn, naar ik aanneem, goeddeels a- of anti-religieuze publiek voor zich te winnen? Ik zou me dat goed kunnen voorstellen, en dat zou nog te rechtvaardigen zijn ook. Niet ten koste van een godslastering natuurlijk, maar dat wás zijn grap over de Heilige Geest ook niet. De vergelijking is namelijk zo bizar en buitenproportioneel, dat de ondertoon onmiddellijk is: dit klopt niet. ‘Ik besef heel goed dat er van alles mis is aan de Katholieke Kerk’, zo leidde Finkers zijn grap in. En vervolgens maakte hij een grap die net zo’n onzinnig verband legt als de ernstige verwijten van weldenkend Nederland.

Hoor ik nu wat ik wil horen? Toch niet, geloof ik. Want om die onzinnige verwijten van de antireligiebabbelaars was het Finkers precies te doen. ‘Over domkoppen gesproken: een Nederlandse intellectueel zei naar aanleiding van Charlie Hebdo en 13 november: in elke religie schuilt potentieel gevaar, weg met religie. Daar heeft hij gelijk in. Net als in elk theelepeltje. Met het theelepeltje kun je heel mooi een oogbal uit een oogkas wippen. Weg met de theelepeltjes! Nee, er schuilt veel flinterdun denkwerk in onze vaderlandse elite.’

Daarna trok Finkers eigenhandig de rotte kies van het Lennonliedje Imagine. Hij begon over de ellende die kinderen in de wereld moeten ondergaan: kinderarbeid, kinderprostitutie ... zou de wereld niet beter af zijn zonder kinderen? Imagine there’s no children ...

In dat rijtje bizarre, onzinnige, buitenproportionele redeneringen staat de grap over de Heilige Geest en de misbruikschandalen ook: het logische verband van oorzaak en gevolg is volstrekt zoek.

Het is verdrietig dat Finkers die eerste grap nodig heeft om het ongetwijfeld weldenkende Leidse publiek vatbaar te krijgen voor het ‘godsdienstwaanzinnige’ punt dat hij wil maken. Maar het werkte. En hoe. Finkers vervolgde met een liedje:

Denken als een kip zonder kop,

o wat knapt een mens dáárvan op!

Als er geen religie was, dan was er minder leed,

zonder al die kerken was de wereld niet zo wreed.

Geloof is een psychose en elk godsbesef naïef,

bewezen psychiatrisch en waanzinnig primitief [...]

Zo te redeneren, o dat kan zo heerlijk zijn, met het flinterdunne denkwerk van een middelmatig brein,

zwétsen als een kip zonder kop,

o wat knapt een mens dáárvan op!

Het duurde even voordat het weldenkende Leidse publiek begon te applaudiseren. Aarzeling, een fractie van een seconde. Want ze beseften dat dit over hén ging, over hún vooroordelen over religie. En toch kwam dat applaus. Want Finkers, beseften ze dankzij die bizarre, onzinnige vergelijkingen, had gelijk.

Nu Claudia de Breij. Zij had het in haar Tilburgse conference vaak over het lot, het blinde lot dat je krabt en bijt. Ze maakte er, op het einde van haar show, een pseudoreligieus momentje van: ‘Wie verdraagt de zweepslag van het lot, wie duldt het onrecht van de onderdrukker ... als hij zich zou kunnen bevrijden met één dolkstoot? Wie zou die pijn willen verdragen, kreunend en zwetend onder een afmattend leven als niet de angst voor iets dat na de dood komt, dat onontdekte land waar geen van ons ooit uit terugkeert, onze wilskracht zo verlamde dat wij nog liever onze pijn verdragen dan dat we vluchten naar een lot dat wij niet kennen ...’

Ziedaar de kern van de pseudoreligie van De Breij: het lot is blind en hard, en de reden dat wij het verdragen is dat we altijd nóg banger zijn om dood te gaan.

Is er troost in de preek van De Breij? Ja. En mooi ook. De troost van het samen kopen van een nieuwe keuken. In de vaardige handen van De Breij (die in taalgevoel weinig onderdoet voor Finkers en zeker beter zingt), wordt het samen kopen van een koelkast een levensbepalend moment. ‘De keuken verbouwen is het meest romantische, meest hoopvolle dat je in dit ondermaanse kunt besluiten te doen.’ Immers, legt De Breij uit: je haalt je een enorme sores op de hals, maar die verdraag je. Want als je samen de keuken verbouwt, spreek je naar elkaar uit dat je blijft waar je bent, de komende tien jaar minstens bij degene met wie je daar bent. Omdat die dat waard is.

Ook Finkers eindigde zijn conference met een alledaags voorbeeld. Maar eerst kwam hij nog even terug op God. Ubi caritas et amor, Deus ibi est. Waar zorgzaamheid en liefde is, daar is God, preekte Finkers. En hij vervolgde: ‘Hebt elkander lief, gelijk Ivo Niehe zichzelf.’

En op dat moment, toen iedereen al dacht dat het afgelopen was, vertelde Finkers in zinderende zinnen nog één verhaal. ‘Bij mijn moeder in het verpleeghuis zit een mevrouw, en die mevrouw wil sinds ze in het tehuis zit niet meer poepen. Ik sprak haar man en die zei: het is wel gek hè. Nu zit ze hier en wil ze niet poepen. En dan bellen ze mij, en dan kom ik langs, en dan houd ik haar hand vast, ik vertel haar wat over vroeger, ik zing voor haar wat oude liedjes, en dat is heel gek, maar dan poept ze zo.’

Het moderne keukenstel bij De Breij reikt naar het hoogste: bij elkaar blijven, nog tien jaar minstens. Omdat en zolang de ander dat waard is. De bejaarde man van Finkers – herkent zijn vrouw hem nog? – blijft haar trouw. In afnemende wederkerigheid. Zonder limiet.

‘God zingt niet’, zegt de weldenkende moderne mens. ‘Hij zingt wél’, corrigeerde Finkers hem even eerder in zijn show: ‘voor dovemansoren’.

Bijlagen

Fotoserie, 2 foto's

Links

PDF Print Stuur door