...en ik herkende hem

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie
... Na afloop, in de hal van de kerk, raakte ik met hem in gesprek. Hij was een vreemde. Niet opvallend, gewoon een doorsnee kerkganger ‘van buiten’. ‘Zullen we een eindje lopen?’, vroeg hij, toen we de koffie op hadden.

Ik had hem verteld dat ik stukjes schreef in mijn krant over bijeenkomsten met een bijzonder tintje. En dat ik nu aan mijn laatste bijdrage bezig was, want woensdag – met vijfenzestighalf – zou ik uit dienst gaan. Het leek me een aardige afsluiting om daarvoor nu eens een gewone kerkdienst te nemen. En ik had me voorgenomen om niet zozeer de dienst zelf te beschrijven, maar de mensen. En dan vooral de mensen die er een beetje bij bungelen in de gemeente, want daar heb ik een zwak voor, voor de kleinen, de gebeukten, de kapotgemaakten, de onzekeren, de geboeiden, de tobbers.

Voor die jongen bijvoorbeeld die ik uit mijn ooghoeken naast zijn moeder, hangend op z’n stoel, had geobserveerd: hij zong niet mee, las niet mee, bad niet mee, deed eigenlijk helemaal niks anders dan demonstreren dat het voor hem allemaal niet hoefde en dat hij er louter zat omdat-ie moest. Wat ging er in zo’n jongen om?

Uit solidariteit had ik ook even niet meegezongen en ik hoopte dat hij het signaal begrepen had: er zijn meer mensen die zich er weleens buiten voelen staan.

de macht

Ik vertelde de vreemdeling dat ik daar in mijn stukjes eigenlijk wel vaak naar op zoek was geweest: naar de mensen aan de rand. Buiten de hoofdstroom van de macht, in de wereld en in de kerk. ‘Enge’ salafisten bijvoorbeeld, downies, dikkerds, hoofddoekjes, roomsen en refojongeren, getatoeëerd, maar bekeerd motorvolk en nog zo wat. ‘Ja’, zei hij, ‘dat weet ik, want ik heb je stukjes meestal wel gelezen.’

Daardoor gevleid voegde ik eraan toe dat ik me soms zo had opgewonden over hun tegenvoeters: de machtigen dichtbij en ver weg, de BN’ers, vooral de christelijke, het managerdom, de dreinende terroristjes in de supermarkt, de gereformeerde of evangelische drijvers, het grootkapitaal, de narcisten in kerk, staat en maatschappij, de bakfietselite, de ‘mannetjes’ en ‘vrouwtjes’ met grote bekken in hun maatgesneden pakken, de BMW’ers achter je op de linker weghelft of de VVD’ers in het algemeen, de zichzelf wanende intellectuelen, de Henk en Ingrids, de … ‘Ja’, zei hij, dat weet ik, want ik heb je stukjes meestal wel gelezen.’

Tot hiertoe hadden we naast elkaar gelopen. Maar nu bleef hij staan en keek me aan. ‘En hoe voelde dat nou, die macht?’

uh?

‘Uh? U bedoelt?’

‘Ik bedoel: was je ook met die mensen begáán, of zag je hen alleen maar als een bron van ergernis? Heb je weleens zo’n grootbek in de kerk, over wie je schreef, gespróken? Of zo’n manager, zo’n drukdoenerige bakfietsdame? Heb je je weleens om hén bekommerd? Of heb je je alleen maar boos gemaakt? En heb je ze alleen maar afgedankt? Is je grote hart er alleen maar voor mensen die jou niet in de weg staan, die geen gevaar voor je zijn?’

En terwijl we weer doorliepen, opende hij de Schriften. Ademloos luisterde ik toen hij liet zien hoe God in al zijn verhalen over zijn relatie met mensen, in al zijn 66 boeken, ten diepste altijd weer genade liet gelden. Ook voor mensen die soms hun leven lang aan het krachtpatseren waren geweest. En dat ook zij niet per se ‘bokken’ waren, maar evengoed zwakke schapen konden zijn die hij opzocht. En dat God nooit iemand had afgeschreven, ook niet omdat hij of zij grijs maatgesneden of rood hooggehakt door het leven liep, zichzelf erg belangrijk vond, een dikke auto reed of prat ging op z’n academische opleiding. ‘Ook hun biedt hij zijn genade aan. Waarom zou jij die in de weg staan?’

En, heel vreemd, terwijl hij nog sprak, was hij plotseling verdwenen. Maar mijn ogen werden geopend. En ik herkende hem.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief