Pesten op een fijne school komt extra hard aan

Nederland
beeld anp / Jasper Juinen
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Pesten in het voortgezet onderwijs is afgenomen, maar niet op de basisschool, blijkt uit cijfers van het ministerie van Onderwijs. Goed nieuws, vindt ‘pest-professor’ René Veenstra, maar achterover leunen kan niet. ‘Je wilt dat elk kind een fijne schooltijd heeft.’

Groningen

Uitschelden, buitensluiten, spullen afpakken of kapot maken, slaan en gemene berichtjes sturen via sociale media: in het voortgezet onderwijs hebben steeds minder kinderen ermee te maken. Het pesten is er afgenomen ten opzichte van twee jaar geleden. Het gaat daar nu nog om 5 procent van de kinderen die één keer per maand of vaker wordt gepest, blijkt uit cijfers van het ministerie van Onderwijs. In 2014 lag dat percentage op 11 procent van de leerlingen en in 2016 op 8 procent.

In het basisonderwijs is het percentage kinderen dat wordt gepest niet verder gedaald. Net als in 2016 gaf 10 procent van de kinderen aan één keer per maand of vaker te worden gepest. In 2014 was dat nog 14 procent.

Volgens minister Arie Slob is het goed nieuws voor de tienduizenden kinderen die nu niet meer met een steen in hun maag naar school gaan, maar blijft aandacht voor pesten nog altijd hard nodig. Daarom heeft hij maandag de Week tegen Pesten geopend.

groot probleem

Pesten kwam in 2012 hoog op de agenda te staan van de politiek, scholen en wetenschap na een aantal tragische zelfdodingen.

‘Deze cijfers wijzen erop dat minder jongeren worden gepest. Dat is prachtig’, vindt ook René Veenstra, hoogleraar sociologie aan de faculteit Gedrags- & Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, die sinds 2004 onderzoek doet naar pesten. Maar net als Slob benadrukt hij dat scholen niet achterover mogen leunen. ‘We moeten niet vergeten dat nog steeds 5 procent van de jongeren in het voortgezet onderwijs en zelfs 10 procent van de kinderen op de basisschool het duidelijk niet fijn heeft op school. Pesten is dus nog altijd een groot probleem. In elke klas in het voortgezet onderwijs worden gemiddeld één of twee kinderen gepest en op de basisschool twee of drie kinderen per groep.’

Uit recent onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen van onder anderen René Veenstra, blijkt dat er een ‘fijne-school-paradox’ bestaat, vertelt hij.

‘Op scholen waar pesten goed wordt aangepakt, hebben de kinderen die er nog wel in de knel komen door pesten het juist extra moeilijk’, legt hij uit. ‘Waarschijnlijk doordat gedeelde smart halve smart is. Als je op een fijne school gepest wordt, voel je je helemaal een buitenbeentje. Leerlingen gaan dan denken: er is iets mis met mij. Het is dus prachtig als de overgrote meerderheid van de kinderen floreert op een school omdat de school systematisch pesten aanpakt. Maar die paar kinderen die blijvend gepest worden hebben het extra moeilijk en hebben vaak het gevoel dat het nooit zal ophouden.’

Hij kan zich voorstellen dat leerkrachten er op een gegeven moment in berusten dat nog enkele kinderen op school worden gepest. ‘Stel, je hebt een heel vervelende klas. Je hebt er flink aan getrokken als leerkracht. Je hebt een programma ingevoerd om pesten te gaan en een gigantisch succes geboekt: het is een leuke klas geworden. Dan kun je denken: missie geslaagd. Maar als er nog één leerling is die gepest wordt, is alleen deel één van de missie geslaagd. Deel twee van de missie is dan verder zoeken naar een oplossing voor dat laatste slachtoffer. Je moet willen vechten voor elk kind. Je wilt dat elk kind een fijne schooltijd heeft.’

effectieve programma's

Pesten op school valt volgens Veenstra nog veel verder terug te dringen. ‘Als alle scholen een bewezen effectief anti-pestprogramma zouden gebruiken, is het met de helft te reduceren’, zegt hij. Er bestaan niet veel programma’s die goed werken tegen pesten. Het Nederlands Jeugdinstituut heeft van drie programma’s tegen pesten voor basisscholen vastgesteld dat ze effectief zijn, namelijk KiVa, Prima en Taakspel. Voor het voortgezet onderwijs moeten zulke programma’s nog worden ontwikkeld, zegt Veenstra.

Veel basisscholen gebruiken volgens hem een programma waarvan niet is aangetoond dat het helpt tegen pesten. Ze kunnen geleidelijk aan overstappen op bewezen effectieve programma’s, zegt hij. ‘Veel scholen hebben een behoorlijke doorloop in het team van leerkrachten. Daarom is het goed om zo nu en dan het hele team nascholing te geven over pesten. Dat is een goed moment op een nieuw programma over te stappen.’

Het kost een paar duizend euro om een antipestprogramma te starten, maar dit is een goede investering, stelt Veenstra. ‘Je kunt meer leerlingen een fijne tijd geven op school, minder leerlingen zullen van school gaan vanwege een pestsituatie en leraren zijn ook beter af. Als je een rotklas hebt, kun je daar overspannen van worden. Tel uit je winst.’

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?