In memoriam: Jules Schelvis (95) ooggetuige van Sobibor

Jules Schelvis, 1921-2016 Nederland
Jules Schelvis, 1921-2016 | beeld anp / Jerry Lampen
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie
In Amstelveen overleed de historicus Jules Schelvis. Hij was de laatste ooggetuige van Sobibor, het nazikamp waar zeker 170.165 mensen zijn vermoord. Achttien personen overleefden, onder wie twee Nederlanders. Hij was een van de twee.

Amstelveen

‘Mijn wens is, dat u de essentie van mijn voordracht in eenvoudige bewoordingen doorvertelt aan uw kinderen. Dan hebben we een klein steentje bijgedragen aan de nagedachtenis van 34.000 vermoorde landgenoten.’ Zo besluit Jules Schelvis in 2015 zijn optreden met het ­Nationaal Symfonisch Kamerorkest. In het Haagse Vredespaleis, met door hem gekozen muziek, van Mahler en Bach. ‘Ik ben 94, nu moet iemand het stokje maar overnemen’, zegt hij. De NOS legde het bijzondere optreden vast.

Op 26 mei 1943 is er een razzia in Amsterdam. Jules (22), echtgenote Rachel Borzykowski (20), zwager Herman, schoonzus Chaja en schoonouders David en Gretha worden gepakt. Op 1 juni vertrekken ze uit Westerbork. De 3006 personen van transport 14 (vijftig veewagons) zien bij Nieuweschans nog een glimpje van Nederland. Een monument op het perron herinnert eraan. De vloer kiert; koud regenwater sproeit iedereen nat. Er is één poepton, iedereen raakt murw en moe. Ter hoogte van Czestochowa zegt schoonmoeder Gretha: ‘We gaan niet naar Auschwitz’. Zij kan het weten, ze is geboren in Czestochowa. ‘Weet je dat je een baard hebt? Je lijkt wel een rabbi’, zegt Rachel zwak lachend, na 72 uur. De trein stopt voor Sobibor nog even, een soldaat neemt horloges in. Een Nederlander vraagt een ontvangstbewijs. ‘Dat komt later’, zegt de Duitser achteloos. Op dat moment beseft Schelvis dat de situatie alleen maar erger kan worden. Op het perron gaat tachtig man naar een werkploeg, onder wie zijn zwager. ‘Ik was zo brutaal te vragen waarom ik er niet bij zat. Toen werd ik alsnog nummer 81.’ In de verwarring verliest hij Rachel uit het oog. Zij en haar familie worden die dag vermoord. Op 14 oktober 1943 breekt een opstand uit. Driehonderd dwangarbeiders doden twaalf SS’ers en twee ­Oekraïense helpers. Selma Wijnberg uit Zwolle overleeft de opstand en de vlucht. Zij emigreert later naar de VS. Schelvis is niet bij de opstand zelf, hij werkt dan buiten het kamp in Dohorucza als turfsteker. Hij eet daar soep, rotte appels en hondenvlees. De nazi’s gooien Sobibor plat, willen alle sporen uitwissen en planten er bomen op. Jules Schelvis verblijft nog in zeven concentratiekampen. Op ­8 april 1945 wordt hij bevrijd, in Zuid-Duitsland, door Franse troepen. Hij heeft vlektyfus, weegt veertig kilo. Hij ligt twee maanden in een ziekenhuis en begint dan al zijn getuigenis te noteren. Dat doet hij bewust niet op blanco papier maar op ziekenhuisformulieren, met namen en data van patiënten. ‘Zodat men niet zou kunnen zeggen: dat heb je veel later, na de oorlog verzonnen. Of: je herinnering was niet meer zo goed.’ Op 30 juni 1945 is hij terug in Amsterdam. De drukkerij waar hij het drukkersvak leerde, heeft ander personeel en vindt zijn terugkeer maar lastig. De meeste mensen beginnen over hun eigen ervaringen: de Hongerwinter, dat was pas erg. Dus zwijgt hij maar.

eredoctoraat

Vernietigingskamp Sobibor (1993) is de eerste volwaardige publicatie over dit kamp. Hij krijgt er in 2008 een eredoctoraat voor, van de Universiteit van Amsterdam. Hij richt Stichting Sobibor op en krijgt in 2013 een hoge onderscheiding van de premier van Polen. Hij maakt nog mee dat archeoloog Ivar Schute opgravingen begint met Poolse en Israëlische collega’s. Ze vinden naamplaatjes van enkele van de 34.313 vermoorde Joden uit Nederland.

Drie uur was hij in Sobibor, dertig jaar zweeg hij erover. Toen gaf Jules Schelvis zichzelf de opdracht er toch van te getuigen. En uiteindelijk sprak hij langer over de oorlog dan hij er ooit over gezwegen heeft. ‘Als ik vertel, ben ik de enige in de zaal die het verhaal zin voor zin voor zich ziet.’ Hij verloor bij dit alles nooit zijn vertrouwen in de mensheid. Hij werkte mee aan het proces tegen Demjanjuk, de Oekraïense bewaker in Sobibor. Schelvis had, zei hij, ‘een beetje medelijden’ met deze gedaagde. ‘Hij deed me uiterlijk aan mijn grootvader denken. Ik heb de rechter gezegd dat hij bestraft moest worden omdat hij erbij was geweest, maar van mij hoefde hij niet meer de cel in.’ <

PDF Print Stuur door