Luister naar

Eens een dubbeltje, altijd een dubbeltje? Hoe zit het met Nederland?

Achtergrond
Waar in Nederland je wieg staat, kan beslissend zijn voor de hoogte van het inkomen dat je later gaat verdienen, blijkt uit nieuw onderzoek. Hoe groot is de ongelijkheid? En waar lopen de scheidslijnen?
Cees Dorland Joris Tieleman, Hessel von Piekartz en Jonathan Witteman / vk
zaterdag 17 oktober 2020 om 03:00 aangepast 07:57
Archieffoto van leerlingen van een Amsterdamse basisschool die proberen met een ludieke actie meer witte kinderen te werven voor hun school.
Archieffoto van leerlingen van een Amsterdamse basisschool die proberen met een ludieke actie meer witte kinderen te werven voor hun school. beeld anp / Remko de Waal

Er was eens een gladiolenkweker uit Vijfhuizen met zes dochters en drie zoons. Geld voor speelgoed was er niet. Als het regende, vroeg hij zijn kinderen om de training van DSOV – Door Sport Ontspanning Vijfhuizen – maar even over te slaan, anders moesten hun bemodderde voetbalkloffies in de wasmachine, en al die wasbeurten liepen aardig in de papieren.

Ondanks hun bescheiden komaf kwamen de kinderen van de gladiolenkweker goed terecht. Zijn dochters brachten het tot kok, thuiszorgondernemer, kredietmanager bij ABN Amro, pedagogisch medewerker, verpleegkundige en eigenaar van een schoonmaakbedrijf met twaalf werknemers. Zijn jongste zoon verdient zijn brood als boekhouder, zijn oudste als parkeerexploitant. En zijn middelste zoon, Khalid Boulahrouz, speelde als spijkerharde verdediger 35 keer voor het Nederlands elftal, in een carrière die hem van de E’tjes van DSOV naar José Mourinho’s Chelsea voerde.

Het lot van de familie Boulahrouz is exemplarisch voor Vijfhuizen, het pal langs de Polderbaan van Schiphol gelegen dorp met 4775 inwoners en één supermarkt, één slager, één bakker, één basisschool, één dancefestival – Mysteryland – en één ruimtevaarder – astronaut André Kuipers. Wie voor een dubbeltje geboren werd, had nergens zo’n goede kans een kwartje te worden als in Vijfhuizen en de kleinere Haarlemmermeerse plaatsen Cruquius, Boesing-heliede en Beinsdorp. Vijfhuizense kinderen die tussen 1982 en 1987 werden geboren en opgroeiden in gezinnen met relatief bescheiden inkomens verdienden anno 2018 als dertigers gemiddeld bijna 37.000 euro bruto per jaar, 9000 euro meer dan het nationaal gemiddelde.

Mensen die het meest verdienen leven gemiddeld zeven jaar langer.

De beroemde cabaretier Louis Davids zong in 1935:

Je verbeeldt je dat je aan de touwtjes trekt,

Maar och, het leven smijt je heen en weer.

In de Biblebelt is kloof tussen man en vrouw het grootst.

Als je voor een dubbeltje geboren bent,

Bereik je nooit een stuiver meer.

85 jaar later is Nederland volgens premier Rutte een ‘in de kern diep socialistisch’ land, soms ook wel getypeerd als het zuidelijkste deel van Scandinavië, omdat onze volksaard net zo egalitair zou zijn als in de streek van smörgåsbord en smørrebrød. GroenLinks-leider Jesse Klaver stelde vorige week juist het tegenovergestelde in zijn pleidooi om jongeren op hun 18e verjaardag 10.000 euro startkapitaal te geven, als antiserum tegen de kansenongelijkheid in Nederland. ‘Waar je bent geboren, bepaalt de kansen in je leven’, zei Klaver.

In de grote steden kun je gemakkelijker in je bubbel blijven.

Wie heeft gelijk? En in hoeverre kloppen Louis Davids’ fatalistische woorden nog dat een dubbeltje nooit een kwartje wordt en een ‘roggebroodkind’ zich nimmer in kaviaar verslikken zal?

Over deze vraag boog zich een stel jonge onderzoekers van de Erasmus School of Economics, geleid door econoom Bastian Ravesteijn. Zij vlooiden CBS-gegevens door over de inkomens van ruim een miljoen dertigers, geboren tussen 1982 en 1987 en opgegroeid van Aadorp en Achtereind tot Zwingelspaan en Zwolle, en concludeerden: het hangt er zeer van af waar je wortels liggen.


Een van de slechtste wijken waar de ooievaar je in de jaren tachtig kon bezorgen, was De Hoogte, iets benoorden de Groningse binnenstad. Wie daar opgroeide als zoon of dochter van Jan en Truus Modaal, verdiende in 2018 gemiddeld nog geen 19.000 euro per jaar. Als je destijds iets naar het zuiden was geboren, in de Oranjebuurt of Noorderplantsoenbuurt – in een even welvarend middenklassegezin – zou je nu gemiddeld 10.000 euro per jaar meer verdienen. In het best scorende Groningse postcodegebied, dat van de Rivierenbuurt en Herenwegbuurt, zelfs 15.000 euro meer. Nog veel beter was het om op te groeien in het Brabantse dorp Westerhoven of het Zuid-Hollandse Goedereede, waar kinderen uit doorsneegezinnen in 2018 gemiddeld respectievelijk 39.000 en 41.000 euro verdienden, meer dan twee keer zo veel als hun generatiegenoten uit De Hoogte.

Zoals reliëfkaarten in een atlas de pieken en dalen van een landschap tonen, zo vormen de cijfers van Ravesteijn en zijn collega’s sociaal-economische reliëfkaarten. Niet met de heuvels van Zuid-Limburg en de Veluwe als hoogste punten van Nederland, maar dorpen als Zoeterwoude in Zuid-Holland, Hilvarenbeek in Brabant, Middenbeemster in Noord-Holland of Renswoude in Utrecht.

Dat kinderen uit Laren, Nederlands rijkste gemeente, over het algemeen beter terechtkomen dan kinderen uit Groningen-stad, de armste gemeente, is weinig verrassend. Veelzeggender is het om bijvoorbeeld het economische lot van dochters en zonen uit precies dezelfde sociale klasse te vergelijken, of juist kinderen van rijke ouders met kinderen van arme ouders uit dezelfde gemeente.

Dan blijkt dat dertigers die in Laren opgroeiden in een gezin met een relatief bescheiden inkomen op het 25e percentiel – oftewel: driekwart van alle Nederlandse gezinnen verdiende meer – anno 2018 gemiddeld dik 34.000 euro verdienden. Dat is 11.000 euro meer dan kinderen van vergelijkbare komaf uit Groningen-stad. Of dat kinderen van bescheiden komaf uit Hilvarenbeek het gemiddeld verder hebben geschopt dan telgen van gezinnen op het 75e percentiel – oftewel: slechts een kwart van de ouders verdiende meer – uit omliggende steden als Breda, Eindhoven en Den Bosch. Soms lijkt de woonplaats dus bepalender voor de levenskansen dan de afkomst.

patronen

Als je tuurt naar de kaarten, vallen talloze patronen op. Zo blijken de sporten op de sociale ladder in Zuid-Limburg nogal ver uit elkaar te liggen: een ‘dubbeltje’ werd in gemeenten als Vaals, Heerlen en Landgraaf zelden een ‘kwartje’, terwijl kinderen van Zuid-Limburgse grootverdieners zelf als dertigers veelal ook hoge inkomens hadden. Te zien is dat de kans op sociale daling – de kans dat kinderen van relatief rijke ouders een duikeling maken in de nationale inkomenshiërarchie – het grootst was langs de noordelijke rand van Nederland, in plaatsen als Ameland, Gasselternijveen of Middelstum.

Of zie Maaskantje, het Brabantse dorp dat menige Nederlander dankzij de New Kids-films voor altijd zal associëren met uitkeringstrekkers – ‘Gratis geld, jonguh’ – Haagse matjes en halve liters Schultenbräu. Maar uit de kaarten blijkt juist dat Richard Batsbak en kornuiten keurig tot de economische middenmoot van Nederland behoren. Zo verdienden Maaskantse kinderen van ouders met bescheiden inkomens als dertigers anno 2018 gemiddeld bijna 28.000 euro. Dat is bijna modaal, en dik 10.000 euro meer dan bijvoorbeeld kinderen uit de Almeerse buurten Tussen de Vaarten Noord en de Verzetswijk, een van de slechtst scorende postcodegebieden.

Om nog maar te zwijgen over het pal naast Maaskantje gelegen Den Dungen, thuishaven van frietkot ’t Pleintje, waar de New Kids-helden hun knoeperts, jos-brinkies en broodjes bakpao haalden. Den Dungense kinderen van bescheiden komaf verdienden anno 2018 als dertiger gemiddeld 36.000 euro. Daarmee doet ‘Krabberdonk’ het beter dan bijna 98 procent van alle postcodegebieden.

Wie langer naar de kaarten kijkt, merkt dat er weinig willekeurig is aan hoe de levenskansen door het land verspreid liggen. Grote delen van de Limburgse mijnstreek en de oude veenkoloniën scoren bijvoorbeeld nog steeds slecht als het gaat om sociale stijging, constateert Ravesteijn. En in de povere perspectieven van kinderen uit Groningen-stad komen twee duidelijk zichtbare patronen samen: opgroeien in de stad of Noord-Nederland zet een domper op je economische toekomst.

Neem de hoofdstad: in Amsterdam opgegroeide dertigers bungelden anno 2018 ergens onderaan in de nationale inkomenshiërarchie, terwijl hun generatiegenoten uit het omliggende Waterland en Velsen tot de absolute top behoorden. Wie in de jaren tachtig en negentig opgroeide in Amsterdam als kind van ouders met een bescheiden inkomen, verdiende als dertiger in 2018 gemiddeld nog geen 24.000 euro, ruim 11.000 euro minder dan in precies even arme gezinnen opgegroeide generatiegenoten uit het centrum van Amstelveen, Nederhorst den Berg of Muiden.

Weliswaar zijn er in elke stad positieve uitzonderingen, zoals de Apollobuurt in Amsterdam of Leyenburg in Den Haag. Maar de teneur is duidelijk: arme kinderen uit de voorsteden of het platteland hebben veel meer kans om op te klimmen dan kinderen uit (middel)grote steden. Hoe kan dat?

sociaal-economische bubbel

Een voor de hand liggende verklaring is dat in steden relatief veel arme migrantengezinnen wonen, wier kinderen het gemiddeld genomen minder ver schoppen dan generatiegenoten zonder in het buitenland geboren ouders. Zo had ruim twee derde van de tussen 1982 en 1987 geboren Amsterdammers migranten als ouders, met afstand het hoogste aandeel van alle gemeenten – bij de nummer laatst, Staphorst, was dat 1,5 procent. Toch is deze verklaring te makkelijk. Ook Amsterdammers met in Nederland geboren ouders scoorden namelijk beduidend slechter dan hun equivalenten in omliggende plaatsen.

Ravesteijn wil zich in toekomstig onderzoek richten op de rol van woonwijken. In de grote steden is het makkelijker om in je eigen sociaal-economische bubbel te blijven. Woon je in een kleinere gemeente waar arm en rijk door elkaar wonen, dan zijn er maar een of twee voetbalclubs en middelbare scholen, en zitten arm en rijk door elkaar. Dit zou kunnen verklaren waarom kinderen uit arme stedelijke gezinnen het gemiddeld slechter doen dan kinderen uit even arme gezinnen in voorsteden of dorpen: zij kunnen zich moeilijker optrekken aan kinderen met een kansrijker achtergrond. Maar het verklaart nog niet waarom ook rijke kinderen uit grote steden in de regel minder goede kansen hebben dan hun even gefortuneerde generatiegenoten uit de plaatsen eromheen.

Een derde mogelijke verklaring ligt in de veranderlijke bevolking van de steden. In de jaren tachtig en negentig, toen de dertigers uit het onderzoek van Ravesteijn c.s. opgroeiden, waren veel stadswijken nog wat verloederd sinds de grote trek uit de stad in de jaren zestig, toen auto’s alomtegenwoordig raakten en grachten werden omgekat tot wegen. Dat zou kunnen verklaren waarom opgroeien in steden in dit onderzoek samenhangt met slechtere levenskansen: steden waren destijds geen aantrekkelijke plekken. Nu steden weer hip zijn en een nieuwe stedelijke elite is ontstaan, zijn veel van de binnensteden alweer veel welvarender, en de kinderen die daar nu opgroeien wellicht kansrijker.

Opvallend is ook het verschil tussen het noorden en de rest van het land. Onder aan de ranglijst van verdienkansen bungelen Friese dorpen als Kootstertille, Zwaagwesteinde en Broeksterwoude en Groningse oorden als Appingedam, Winschoten en Foxhol, evenals stadswijken in Groningen, Harlingen en Leeuwarden. Kijken we van grotere afstand, dan valt op dat Groningen, Friesland, Drenthe en de noordelijke delen van Overijssel en Flevoland allemaal relatief ongunstige plekken zijn om op te groeien. Wie in deze regio’s zijn jeugd doorbrengt, strijkt eenmaal volwassen al gauw enkele duizenden euro’s minder op per jaar dan wie in een even rijke of arme familie opgroeit in het westen of zuiden van het land.

De redenen lijken simpel: het dunner bevolkte noorden telt relatief minder banen en opleidingen. ‘In het noorden van het land hebben we veel minder industriële structuur dan in Brabant en omstreken’, zegt de Groningse hoogleraar regionale arbeidsmarktanalyse Jouke van Dijk. Wel wijst hij op een belangrijk verschil tussen de Groningse veenkoloniën in het oosten van de provincie en de noordranden van Friesland. Beide regio’s komen als kansarm uit de data van Ravesteijn, maar uit onderzoeken naar ‘brede welvaart’ komen de Friezen beduidend gelukkiger uit de bus dan Oost-Groningers, de zogenaamde ‘Friese paradox’.

In haar pas verschenen boek Een klein land met verre uithoeken geeft sociaal-geograaf Floor Milikowski een politieke reden voor het achterblijven van Noord-Nederland: sinds de jaren tachtig is het Haagse beleid niet meer gericht op het steunen van de armste delen van het land, maar op het versterken van de rijkste. ‘Don’t back the losers, but pick the winners’, zoals oud-Shell-topman Gerrit Wagner het begin jaren tachtig noemde.

migrantenkinderen

In hetzelfde decennium kwam de klad in de ‘spreiding van rijksdiensten’, het eerlijker verdelen van ambtenarenbanen waarmee in de jaren zestig was begonnen: van de Rijksdienst voor het Wegverkeer in Veendam en het huidige DUO in Groningen tot het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds in Heerlen. ‘Het geld gaat niet langer naar plekken waar de werkloosheid het hoogst en de armoede het grootst is’, schrijft Milikowski, ‘maar naar de plekken waar de meeste banen zijn, de meeste mensen wonen en het meeste geld wordt verdiend voor de nationale economie.’ Niet alleen het noorden van Nederland komt er bekaaid af waar het economische kansen betreft, hetzelfde geldt voor migrantenkinderen. Kinderen van Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en Surinaamse ouders verdienen als dertigers gemiddeld veel minder dan kinderen van Nederlandse ouders. Natuurlijk, migrantengezinnen zijn veelal armer. Maar ook als we alleen naar de zonen kijken van ouders met precies hetzelfde inkomen, valt op dat jongens uit deze groepen gemiddeld ruim 5000 euro per jaar minder beuren dan even arm of rijk opgegroeide zonen van ‘inboorlingen’. Daar staat tegenover dat vrouwen uit vrijwel elke migrantengroep als dertigers ongeveer evenveel verdienen als dochters van Nederlandse ouders.

Verrassend, vindt Justus Uitermark, hoogleraar stadsgeografie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Migranten uit de eerste generatie hadden vaak een extreem slechte positie: ze werkten in zware beroepen of raakten werkloos, kampten met een taalachterstand en moesten culturele verschillen overbruggen. Je zou verwachten dat kinderen van migranten een grotere sprong voorwaarts zouden kunnen maken, omdat zij wél hier zijn opgegroeid.’

mannen en vrouwen

Het ruigste kansenlandschap van Nederland, met de ijlste toppen en diepste dalen, loopt sociaal-economisch gezien in een diagonaal van Walcheren via het rivierengebied en de Veluwe tot aan Staphorst in Overijssel. Nergens in Nederland is de kloof tussen mannen en vrouwen groter dan in de Biblebelt. Van Zeeland tot het Zwartewaterland is het patroon hetzelfde: hoe hoger het kindertal en hoe trouwer de gang naar de kerk, des te gapender de inkomenskloof tussen man en vrouw.

Oostdijk, net ten westen van mosselmekka Yerseke en uienhoofdstad Kruiningen, spant de kroon. Vloeken mag officieel niet in het zeshonderd zielen tellende dorp, zo staat in de verordeningen van de gemeente Reimerswaal. In dorpswinkel annex stembureau De Putter in Oostdijk kleurde vorig jaar bij de Provinciale Statenverkiezingen 69 procent van de inwoners een bolletje van de SGP rood.

‘De man is het hoofd van de vrouw’, citeren SGP’ers graag de apostel Paulus, en dat is te zien in de Oostdijkse inkomensverdeling. In Zeelands jongste dorp verdienen mannelijke dertigers gemiddeld 41.000 euro bruto per jaar, ruim 31.000 euro meer dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten. In geen enkel ander Nederlands postcodegebied schoppen vrouwen het minder ver. Ter vergelijking: dochters uit de villawijk Berg en Bos en andere buurten in Apeldoorn-West, de nationale koplopers onder de vrouwen, verdienden als dertigers anno 2018 gemiddeld 38.000 euro.

‘De sociale controle is sterk, je voelt enorme druk als je afwijkt van wat gangbaar is’, vertelt een in Oostdijk opgegroeide vrouw die niet met haar naam in de krant wil omdat – vrij letterlijk – iedereen in het dorp elkaar kent. Wat niet wil zeggen dat alle Oostdijkse vrouwen tegenwoordig nog achter het aanrecht of de commode staan, vertelt ze: de lokale basisschool De Bornput kan bijvoorbeeld niet zonder alle juffen en onderwijsassistentes.

verhuizen dan maar?

Betekent dit alles dat ouders met jonge kinderen maar beter verhuisdozen kunnen gaan inpakken om naar landelijk Brabant of Noord-Holland te verkassen? Uit een vorig jaar gepubliceerde analyse van onderzoeksbureau SEO bleek immers dat elk jaar dat een kind in een economisch sterke regio woont op latere leeftijd tot een hoger inkomen leidt. Wie bijvoorbeeld als 7-jarige van een achenebbisjbuurt naar een A-locatie verhuist, kan nog 46 procent van het inkomensverschil tussen zijn oude en nieuwe woonplaats goedmaken.

Maar werkt het echt zo? ‘Zo simpel is het niet’, denkt Ravesteijn. De enige manier om erachter te komen is door mensen bij wijze van experiment te laten verhuizen van slechte naar goede buurten, zoals in de jaren negentig gebeurde voor het Amerikaanse onderzoek Moving to Opportunity. Ouders uit arme buurten in steden als New York, Los Angeles en Chicago kregen een soort tegoedbonnen om te verhuizen naar betere buurten elders in de stad, en hun kinderen leken daardoor inderdaad beter af te zijn. Eindelijk waren ze verlost van de jeugdbendes en drugsdealers en hoefden ze niet meer urenlang te reizen voor een baan, verklaarden ze in interviews. ‘Nederland zit toch echt anders in elkaar’, zegt Ravesteijn. ‘Maar ik zou het dolgraag uitproberen – alleen met een experiment weet je het zeker.’ Het is Ravesteijn ook helemaal niet te doen om het aanwijzen van goede en slechte wijken. Veel belangrijker is de vraag: hoe kunnen we kinderen uit arme gezinnen helpen hun levenskansen te verbeteren? En hoe verbeteren we hun leefomgeving? Als hoopgevende voorbeelden noemt hij voorschoolse educatie en het GGD-programma VoorZorg, waarbij moeders met een geschiedenis van huiselijk geweld, verslavingen of andere problemen de eerste duizend levensdagen van hun kind intensieve hulp krijgen bij de opvoeding. Ravesteijn zou dit graag onderzoeken.

Na al dit cijfergeweld zou je kunnen denken: nou en? Is het zo zaligmakend dat dertigers uit het Gelderse dorp Hoog-Keppel gemiddeld 5000 euro meer verdienen dan leeftijdsgenoten uit het nabijgelegen Laag-Keppel, of dat Rotterdammers uit de Agniesebuurt of Provenierswijk in hun vierde levensdecennium in doorsnee twee rooie ruggen meer opstrijken dan Spangenaren of Crooswijkers?

gezondheid

Maar inkomensverschillen gaan veelal hand in hand met gezondheidsverschillen, laten CBS-cijfers zien. Verdelen we de Nederlandse bevolking in vijf inkomensgroepen, dan blijkt de best verdienende groep gemiddeld zeven jaar langer te leven dan de groep met het laagste inkomen.
Het verschil in gezondheid is nog groter: de bovenste groep voelt zich gemiddeld tot het 75e levensjaar gezond, de onderste groep slechts tot het 57e. Hetzelfde geldt voor de geestelijke gezondheid: daar is het verschil vijftien jaar.

Een wet van Meden en Perzen is dit nu ook weer niet: Friesland behoort bijvoorbeeld tot de armste provincies, maar als het om gezondheid gaat, scoren de Friezen juist relatief goed. Maar in Zuid-Limburg, de provincie Groningen en de arme wijken van de grote steden gaan beperkte levenskansen wel weer samen met ernstiger overgewicht, langduriger kwalen en ander gezondheidsleed. En daarmee is de plaats waar onze wieg staat, hoe dramatisch het ook klinkt, toch ook een beetje een kwestie van leven of dood.

Met medewerking van Serena Frijters en Mirjam Leunissen.

‘voor mezelf beginnen? Nee, het is mooi zoals het is’

Lorenzo Mathijssen (1980)

Opgegroeid in: Assen

Een dertiger uit Assen verdiende in 2018 gemiddeld 28.301 euro


Lorenzo - beeld Jiri Büller

Als hij met klanten rond de tafel zit, is Lorenzo Mathijssen (39) op z’n sterkst. Dan komt de verkoper in hem naar boven. Tijdens zijn werk in de keukenzaak in het Drentse Klazienaveen neemt hij de tijd. ‘Je zit zo twee uur of langer met klanten. Het leukste is dat elke keuken anders is. Het is nooit saai.’

Dat mag ook wel, want Mathijssen doet het werk al bijna twintig jaar. Die carrière lag zeker niet voor de hand toen hij opgroeide in een typische arbeiderswijk in Assen. ‘De bewoners daar werkten in fabrieken, waren bouwvakker of timmerman’, vertelt hij. Het gezin was niet arm, slecht hadden ze het niet. Zijn vader werkte als arbeider in een fabriek voor verpakkingsmateriaal. Moeder ging later ook aan het werk, in de koekjesfabriek. Tussen de arbeiders bedacht Mathijssen zijn eigen toekomstplannen. ‘Er was in Assen zo’n winkel voor sportschoenen waar ze altijd de nieuwste merken hadden. Daar spaarde ik al mijn zakgeld voor. Het leek me prachtig om op een dag zo’n eigen zaak te hebben.’

Na de mavo volgt hij de detailhandelschool in de buurt. Maar tijdens een stage bij de Bruna merkt hij dat een winkel niks voor hem is. ‘Je staat alleen achter de kassa, helpt de klanten niet.’ De net afgestudeerde Mathijssen wil liever ‘de buitendienst draaien’. Hij wordt deur-tot-deurverkoper. ‘Met van die veel te dure stofzuigers. Echt op de ouderwetse manier.’ Maar na een jaar breekt het werk hem op. Hij maakt dagen van minstens twaalf uur. ‘Ik miste elke verjaardag, at alleen nog fastfood.’
Nee, dan liever aan tafel tussen de keukens. Na verschillende banen in de keukenwereld werkt hij sinds een paar jaar in Klazienaveen. ‘Dit is precies wat ik wil. Voor mezelf beginnen? Nee. Het werk is mooi zoals het is.’

‘van de ellende in de wereld heb ik weinig meegekregen’

Mirjam Kouijzer (1984)

Opgegroeid in: Koewacht

Een dertiger uit Koewacht verdiende in 2018 gemiddeld 32.734 euro


Mirjam - beeld Jiri Büller

Gz-psycholoog Mirjam Kouijzer legde net als zo veel Zeeuws-Vlamingen letterlijk een lange weg af om carrière te maken. Opleidingen liggen niet voor het oprapen in de regio, en dus vertrok Kouijzer na het gymnasium elke maandag voor haar studie pedagogische wetenschappen naar Nijmegen. Op vrijdag keerde ze terug. ‘Op vrijdag was het altijd feest in de bus, dan gingen alle studenten uit Zeeland terug naar huis, dat was één grote reünie.’ De dochter van een administratief medewerkster en een politieagent groeide op in het Zeeuws-Vlaamse grensdorp Koewacht, qua sociale stijging een van de meest gemiddelde plekken van Nederland. Als je alle plaatsen ordent op basis van hoever dertigers uit gezinnen met bescheiden inkomens het schopten, dan eindigt Koewacht precies in het midden, met een gemiddeld jaarinkomen van 27.000 euro bruto in 2018. Het gemiddelde inkomen van alle dertigers uit Koewacht, niet alleen uit arme, maar ook uit rijke gezinnen en alles daartussenin, was een kleine 33.000 euro.
Kouijzer schopte het tot doctor: ze promoveerde op een proefschrift over de behandeling van kinderen met autisme met zogeheten neurofeedback, een methode die het brein via het meten van hersengolven beter in balans zou brengen. Kouijzer concludeerde dat er geen wetenschappelijk bewijs is dat de therapie helpt tegen autisme.
In psychologisch opzicht had ze op bijna geen betere plek kunnen opgroeien dan in Koewacht, vertelt ze. ‘Het dorp voelde veilig en gemoedelijk. Van de ellende in de wereld heb ik als kind weinig meegekregen. Ik zat op een schooltje met een superleuk clubje meiden met wie ik nog steeds bevriend ben. Als kind krijg je daarvan denk ik een enorme dosis vertrouwen in de wereld en in jezelf.’

het geheim van Vijfhuizen

Wat is het geheim van Vijfhuizen, de plek waar een dubbeltje de grootste kans had een kwartje te worden? Nergens anders kwamen kinderen uit gezinnen met bescheiden inkomens zo goed terecht. ‘De rust’, denkt boekhouder Salah Eddine Boulahrouz (36), de jongere broer van oud-voetballer Khalid. ‘Daar moesten we wel aan wennen toen we hiernaartoe verhuisden vanuit Maassluis: er gebeurde heel weinig in het dorp, het was alleen school, huiswerk maken en voetballen.’ ‘Saamhorigheid’, zweert slager Piet Melman (62) achter zijn vitrine vol doorregen varkenslappen, haaskarbonades en Italiaanse smulsloffen. Neem de ‘Feestweek’, de extravaganza van beddenraces, touwtrekken, modderlopen en missverkiezingen waardoor Vijfhuizen sinds 1980 elke september een week lang verminderd toerekeningsvatbaar is – behalve dit jaar, door corona. ‘Dan kan je elite wezen of niet’, zegt Melman, ‘maar iedereen is op dat moment gelijk.’ Of ligt het simpelweg aan Schiphol? Het dorp wemelt net als de hele Haarlemmermeer van de piloten, stewardessen en vliegtuigmecaniciens – 44 procent van de Haarlemmermeerders werkt op of rond Schiphol. En al dat luchtvaartpersoneel wil ook weleens een badkamerrenovatie of bloemetje, zegt Hans Dijkzeul van slijterij ’t Biervat, en daar profiteert de loodgieter of gladiolenkweker ook weer van.

‘in een klein dorp is weinig afleiding. Dat gaf mij veel rust’

Klaartje van Veldhoven (1981)

Opgegroeid in Westerhoven

Een dertiger uit Westerhoven verdiende in 2018 gemiddeld 36.065 euro


Klaartje - beeld Jiri Büller

Sopraan Klaartje van Veldhoven groeide op in het Kempense dorp Westerhoven, wat toekomstperspectief betreft een van de betere Brabantse plekken om op te groeien. En dat in een provincie die er, buiten de steden, nationaal gezien toch al positief uit springt. De in Den Haag woonachtige barokzangeres, komend seizoen weer te bewonderen als solist met het Residentie Orkest, heeft een originele suggestie over wat het Brabantse succes zou kunnen verklaren, los van de goede banen en opleidingen in de provincie.
‘Ik merk dat ik er veel profijt van heb gehad dat het je als Brabander met de paplepel wordt ingegoten om met iedereen makkelijk te kletsen. In Brabant moet alles gezellig zijn. Mijn man komt uit de buurt van Rotterdam en snapt daar niks van, al die gesprekken over niks en familiefeesten die de hele dag duren. Maar het valt me op dat Brabanders makkelijk contact leggen met anderen, wat toch belangrijk is om een netwerk op te bouwen.’

Dat de dochter van een politieagent tegenwoordig een goede boterham verdient met haar stem, heeft ze mede te danken aan de steun die ze in haar jeugd kreeg van Westerhovenaren. ‘We hadden op school een bevlogen muziekdocent, er zat een geweldige zanglerares in het dorp en een fantastische pianoleraar - dat zijn allemaal mensen die me veel plezier voor muziek hebben bijgebracht.’ En dan is de Westerhovense fanfare nog niet eens genoemd, waarin Klaartje net als haar ouders meeblies.
Van Veldhoven ziet nog een verklaring voor het feit dat kinderen uit plaatsjes à la Westerhoven en Vijfhuizen het zo goed doen: ‘Een van de voordelen van een klein dorp is dat je weinig afleiding hebt. Zo’n klein wereldje creëert veel rust in je hoofd als kind. Je kunt je helemaal verliezen in iets, in mijn geval muziek, omdat er verder zo weinig te doen is.’

verantwoording: ruim 1 miljoen dertigers vergeleken

Het onderzoek naar kansenongelijkheid in Nederland, geïnspireerd door de Amerikaanse Opportunity Atlas van Harvard-economen Raj Chetty en Nathaniel Hendren, analyseert via geanonimiseerde CBS-microdata de inkomens van alle ruim 1 miljoen Nederlanders geboren tussen 1982 en 1987. De onderzoekers registreerden waar zij opgroeiden, gemeten in 1995, het eerste jaar waarvan de data beschikbaar zijn. Hun ‘bruto persoonlijk inkomen’ – salaris, bedrijfsinkomsten, uitkeringen – werd gemeten in 2017-2018, het inkomen van hun ouders in de periode 2006-2010.

Natuurlijk zal een enkele dertiger op latere leeftijd nog de loterij winnen, een miljoenenbedrijf uit de grond stampen of juist aan lager wal raken, maar over het algemeen ligt onze positie in de inkomenshiërarchie dan al vast, zegt Bastian Ravesteijn over het meetmoment van 2017-2018. ‘Vanaf de leeftijd van 26 blijven de meeste mensen grofweg in hetzelfde sociaal-economische spoor.’ Een nadeel is wel dat tussen 1982 en 1987 geboren vrouwen zich in 2017-2018 precies in de fase bevonden waarin ze gemiddeld de meeste kinderen kregen en misschien minder gingen werken of (tijdelijk) stopten met hun baan. Daardoor valt de inkomenskloof met mannen waarschijnlijk groter uit dan een decennium later het geval zal zijn.

Het onderzoek vergelijkt onder meer het economische lot van kinderen van ouders met relatief ‘bescheiden’ inkomens, wat wil zeggen dat hun ouders rond het 25e percentiel van de inkomensverdeling zaten. Oftewel: ze waren niet per se arm, maar verdienden wel minder dan driekwart van de ouders. Ter vergelijking: een dertiger op het 25e inkomenspercentiel verdient minder dan een voltijds werkende vakkenvuller of stratenmaker.

Een methodologische kanttekening: het gaat in het onderzoek om correlatie, een causaal verband tussen regio’s en levenskansen is niet bewezen. Andere factoren, zoals opvoeding, genen en het sociale netwerk van gezinnen spelen natuurlijk ook een rol, maar zijn moeilijker te observeren en kwantificeren.

Op kansenkaart.nl maken de onderzoekers hun data beschikbaar voor lokaal onderzoek en beleid.

‘we moeten noord en zuid niet meer als uithoeken zien’

Ben Wolding (1985)

Opgegroeid in: Usquert

Een dertiger uit Usquert verdiende in 2018 gemiddeld 26.886 euro


Ben - beeld Jiri Büller

Tik eens ‘Groningen’ of ‘Limburg’ in op Google Maps, zegt internetmiljonair Ben Woldring, en zoom dan uit. ‘Kijk wat een enorm achterland er bij Limburg en Groningen om de hoek ligt’, ziet Woldring, zoon van twee leraren uit het Noord-Groningse Usquert. Maastricht ligt bijvoorbeeld dichter bij Brussel dan bij Amsterdam. ‘Usquert heeft postcode 9988, dus dan denk je: daar zit niet veel meer boven. Maar als je uitzoomt, zie je een gebied met 8 miljoen mensen, met grote steden als Bremen en Hamburg. De afstand van Groningen tot die steden is niet veel verder dan tot Den Haag en Amsterdam.’ Dus houd op het noorden of zuiden als uithoek te zien’, zegt Woldring, groot geworden met vergelijkingssites als Gaslicht.com en Poliswijzer.nl. Want die mentaliteit draagt bij aan de relatief slechte perspectieven voor wie daar is opgegroeid. 

‘Floor Milikowski heeft daar in Een klein land met verre uithoeken een heldere analyse over: vanaf de jaren tachtig is in Nederland bijna al het geld in de Randstad terechtgekomen, en vrijwel niets in de regio’, volgens Woldring, die al jaren werkt vanuit Groningen-stad. ‘Op de lange termijn heeft dat zijn weerslag.’ Het opdoeken van de ‘spreiding van rijksdiensten’ - het verdelen van ambtenarenbanen over het land - is een voorbeeld, maar ook het uitblijven van een snellere treinverbinding tussen de Randstad en het noorden, vertelt Woldring, zelf groot voorstander van de zogeheten Lelylijn. Vanuit Rotterdam is het 2,5 uur treinen naar Groningen, in bijna dezelfde tijd ben je met de Thalys in Parijs. ‘Stel dat we in de jaren zeventig waren begonnen met die snellere verbinding - Zwolle barst bijna uit zijn voegen door de goede verbinding met de Randstad. Dan hadden we nu dezelfde economische ontwikkeling gezien in Noord-Nederland.’

Mail de redactie
Mail de redactie
Heeft u een tip over dit onderwerp, ziet u een spelfout of feitelijke onjuistheid? We stellen het zeer op prijs als u ons daarover een bericht stuurt.
Afbeelding

Gezondheidsraad: volumeknoppen in het hele land omlaag om gehoorschade te voorkomen

Verlaag het maximale geluidsniveau van versterkte muziek van 103 naar 100 decibel. Dat adviseert de Gezondheidsraad. Aanleiding voor het advies is een onderzoek naar beginnend gehoorverlies onder kinderen.

Afbeelding

Annie woont in haar slaapkamer om te bezuinigen op energieverbruik: ‘Maar ik kom echt niets tekort’

Annie Snieder (76) is in haar slaapkamer gaan wonen, zodat de kachel in de woonkamer niet aan moet. Maar klagen zal ze nooit doen. ‘Water, brood en onderdak; nou, heel veel mensen hebben dat niet.’

Afbeelding

Raad van State: asielzoeker moet dwangsom kunnen afdwingen bij rechter

Doet de IND langer dan de wettelijke termijn over een asielbesluit? Dan moeten asielzoekers via de rechter een dwangsom kunnen eisen. De wet die die mogelijkheid afschafte, is in strijd met het Europees recht.

Afbeelding

Twintig miljoen extra beschikbaar om het openbaar vervoer toegankelijk te maken voor mensen met beperking

In de begroting van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wordt nu 10 miljoen euro gereserveerd. Dat is niet genoeg, vinden Kamerleden Stieneke van der Graaf (ChristenUnie) en Lisa van Ginneken (D66).

Afbeelding

Boetevrij lenen bij de bibliotheek: ‘We moeten af van de strenge mevrouw achter de balie’

Een boete betalen bij het te laat inleveren van boeken? Bij veel bibliotheken hoeft dat niet meer. ‘We willen geen vervelende discussies meer voeren over 20 cent boete.’

Afbeelding

Prijs van duurzame woningen schiet omhoog, blijkt uit cijfers van het Kadaster

De verkoop van minder energiezuinige huizen blijft juist achter. Dat blijkt uit onderzoek van het Kadaster, het instituut dat de eigendom van woningen vastlegt.