Luister naar

‘De Chineesch’ werd begin 20e eeuw niet als mens gezien

Achtergrond
In de rubriek Net als vroeger wordt vanuit de actualiteit van nu teruggeblikt naar de actualiteit van toen. Vandaag: Nederlandse vooroordelen over Chinezen.
Willem Bouwman Gerald Bruins
vrijdag 14 februari 2020 om 20:57 aangepast 08:15
Een Chinese pindakoekjesverkoper, waarschijnlijk in 1932 in Leiden.
Een Chinese pindakoekjesverkoper, waarschijnlijk in 1932 in Leiden. beeld wikimedia commons / W.J. Kret

De jongere generatie Chinezen pikt die niet langer. ‘Ik wil niet dat mijn kinderen opgroeien met twijfel over de vraag: ben ik nu Chinees of Nederlander?’

Amersfoort

De uitbraak van het coronavirus heeft geleid tot groeiend racisme jegens de Chinese gemeenschap in Nederland. Een medewerker van Radio 10, Lex Gaarthuis, lanceerde het carnavalslied ‘Voorkomen is beter dan Chinezen’. Het lied gaat over ‘stink-Chinezen’ en adviseert om niet langer bij Chinezen te eten: ‘Vreet geen chinees, dan heb je niets te vrezen’. Gaarthuis heeft inmiddels spijt betuigd. Elders woekert het racisme voort. In een studentenflat in Wageningen, waar veel Chinezen studeren, werd de lift besmeurd met drek en beklad met de woorden ‘Sterf Chinezen’. Een petitie tegen dit racisme was donderdag al door meer dan 55.000 mensen ondertekend.

harde werkers

Chinezen zijn niet zomaar een minderheid in Nederland. Enkele migranten uit Nederlands-Indië, Suriname en de Antillen niet meegerekend, waren de Chinezen de eerste niet-westerse immigranten in Nederland. Ze kwamen kort na 1900, eerst naar Rotterdam en Amsterdam, vanwaar ze zich over het land verspreidden.

De eerste Chinezen waren zeelui. Hun voorzaten kwamen van het arme, overbevolkte platteland in het zuiden van China. Met de opkomst van de stoomscheepvaart hadden ze zich aangemeld als stoker op schepen van vooral Britse stoomvaartmaatschappijen. Ze vielen in de smaak bij de reders, want ze werkten hard en namen genoegen met lage lonen. Anders dan de meeste Europese zeelui waren ze goed bestand tegen klimaatwisselingen en tropische hitte.

Nederlandse reders kregen oog voor de Chinese zeelui, toen er in 1911 een internationale staking onder zeelieden dreigde. De zeelui waren ontevreden over de slechte arbeidsomstandigheden. Uit voorzorg namen twee Nederlandse scheepvaartmaatschappijen Chinese zeelui in dienst. Ze werden geworven in Engeland.

Vrijwel meteen brak het racisme naar buiten. Een blad voor zeelieden, De Uitkijk, noemde de Chinezen ‘het gele gevaar’, omdat ze Nederlandse stokers en matrozen van de schepen verdrongen. Het blad omschreef hen als ‘Oostersche langstaarten’ en zag hen als minderwaardige, geldbeluste lieden.

De Chinese zeelui vestigden zich op Katendrecht in Rotterdam en in de buurt van de Nieuwmarkt in Amsterdam. Ze woonden er in pensions en vormden een gemeenschap op zich, een Chinatown, met Chinese eethuizen, drinklokalen en gokgelegenheden, waar soms opium verhandeld of gesnoven werd. Een verslaggever van het tijdschrift ging kijken op Katendrecht en schreef vriendelijk neerbuigend over de Chinese omgangsvormen en eetgewoonten. Hij vond het vreemd dat er in heel Katendrecht geen hond te vinden was, en suggereerde dat ‘de Chineesch’ een liefhebber is van ‘een goeden, vleezigen hond’.

de sterksten blijven

Het is niet moeilijk om nog meer neerbuigende typeringen van Chinezen te vinden. Ze werden ‘de geeltjes’ of het ‘gele volkje’ genoemd. Na ongeregeldheden in de Chinezenbuurt van Amsterdam in 1922 sloot de politie de wijk af en arresteerde vierhonderd Chinezen die illegaal in Nederland verbleven. Werkgevers mochten de sterksten eruit kiezen en als arbeiders in dienst nemen. De rest, ruim tweehonderd man, werd onder begeleiding van mariniers per schip naar China teruggestuurd. Het Algemeen Handelsblad, een liberale krant, was opgelucht, ‘want de geeltjes konden geen ogenblik zonder toezicht worden gelaten’.

Een hoge ambtenaar van het ministerie van Justitie, Simons, klaagde in 1929 over het gemak waarmee zigeuners, zwervers uit Oost-Europa en Chinezen in Nederland werden toegelaten. Hij was bang dat er in Nederland een ‘kolonie van onechte kinderen met zigeuner-, oosterlingen- en chineezenbloed gekweekt’ zou worden. Simons zag de Chinezen niet als mensen, maar als ‘materiaal dat nooit had mogen worden toegelaten’. Toen de Chineesche Vereniging in Holland twee jaar later om koninklijke goedkeuring vroeg, schreef een ambtenaar van Justitie in een informele notitie dat het om ‘Chineezen en ander Aziatisch ongedierte’ ging.

Na het uitbreken van de economische crisis in 1929 raakten veel Chinese zeelui werkloos. Een oude Chinese marskramer op Katendrecht, Ng Kwai, kwam toen op het idee pindakoekjes te verkopen. Pindakoekjes waren geliefd in China en bij Chinezen in Nederlands-Indië. Het recept was eenvoudig. Water werd met suiker gemengd en aan de kook gebracht. Na toevoeging van pinda’s en een scheut azijn ontstond een stroperige massa, waaruit pindakoekjes werden gemaakt.


Een Chinese ondernemer hangt vuurwerk uit zijn winkel. In de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam viert de Chinese gemeenschap het nieuwe jaar met een traditionele leeuwendans en vuurwerk. - anp / Remko de Waal

De verkoop werd een groot succes. ‘Gelijk een stel gaggelende ganzen in een rij, spoedden zich een aantal druk gesticuleerende Chineezen, die allen een grote blikken trommel torsten, in de richting van het centrum van Rotterdam’, noteerde de socioloog Frederik van Heek, die een beroemd geworden onderzoek naar de Chinezen deed. ‘Op ieder dier trommels was met groote letters geschreven “Pinda, pinda, lekker 5 cent’’.’ De Chinese verkopers waren bescheiden, bijna verlegen, en daardoor werden ze geliefd bij het publiek en verspreidde hun nering zich over het hele land. Ze verkochten ook snuisterijen en garen en band. De zanger Willy Derby bezong hen in een lied, ‘Pinda pinda, lekka lekka / Als je maar vijf centen biedt’.

razzia’s en kampen

De pindahandel hielp de Chinezen niet uit de armoe. Van Heek telde 2400 Chinezen in Nederland, van wie er volgens hem achthonderd werkloos waren en teruggestuurd konden worden. De commissaris van de politie in Utrecht overwoog een razzia om de pindaventers in kampen onder te brengen. Plannen voor landelijke razzia’s werden geregeld bedacht, maar gingen niet door, omdat ze te duur waren.

De Chinese gemeenschap was zeer gesloten, waardoor misverstand en wantrouwen in de hand werden gewerkt. Chinezen zouden geheimzinnig zijn en communistische sympathieën hebben. Pogingen van de gereformeerde evangelist J. Dols om Chinezen te bekeren, leverden niets op. Geen enkele Chinees werd christen. De manier waarop Dols de berooide Chinezen op Katendrecht benaderde – hij deelde voedsel en waren uit – sloeg niet aan. De Chinezen voelden zich behandeld als bedelaars en reageerden met gekwetste trots.

De hoofdcommissaris van de Rotterdamse politie, Louis Einthoven, klaagde dat alle Chinezen op elkaar leken en daardoor moeilijk te controleren waren. Einthoven wilde zo veel mogelijk zieke, bejaarde en armlastige Chinezen het land uitzetten. Ze werden op het schip naar Indië en vandaar naar het door oorlog verscheurde China gezet. ‘De Chinezen hier te lande zijn verwend’, vond Einthoven.

Maar Henk Wubben, een antropoloog die in 1986 de lotgevallen van de Chinese immigranten onderzocht, meende dat het om afgeleefde, weerloze stumpers ging, ‘die in hun levensschemering nog even voor de wolven werden gegooid’. In 1940 was er weinig meer over van Chinatown op Katendrecht.

Relatief veel Chinese mannen, vijf procent, kregen een relatie met een Nederlandse vrouw. Volgens Van Heek waren ze erg galant tegenover vrouwen en charmeerden ze hun schoonouders met cadeautjes. Tijdens de oorlog werden er veertig huwelijken gesloten. Na de oorlog emigreerden ongeveer tien ChineesNederlandse gezinnen naar China.

waardering

In Nederlands-Indië woonden veel Chinezen, onder wie vele restauranthouders. Indische Nederlanders waren gewend om Chinees en Indisch te eten. Na de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië in 1949 kwamen er ongeveer driehonderdduizend Indische Nederlanders naar Nederland. Zij wilden graag Chinees-Indisch blijven eten; aardappels met jus en bloemkool hoefden ze niet. Zo verschenen de eerste Chinees-Indische restaurants in het Nederlandse straatbeeld.

Dankzij de welvaartsgroei van de jaren zestig gingen ‘gewone’ Nederlanders vaker buitenshuis eten. Zo leerden zij de Chinees-Indische keuken kennen en waarderen, en daarmee de Chinezen die de maaltijden bereidden.

De Chinese keuken heeft er sterk aan bijgedragen dat meer Nederlanders ‘de Chineesch’ als medemens gingen zien. Maar hoe dicht de oude racistische sentimenten nog onder de oppervlakte liggen, heeft Radio 10 laten zien. <

‘ik wil discriminerende opmerkingen niet langer accepteren. Voor mijn kinderen’

wie: Hui-Hui Pan (38), oprichter Pan Asian Collective (platform voor creatieven met Aziatische roots)

waarom: mede-initiatiefnemer petitie ‘Wij zijn geen virussen’

‘Ik ben geboren en getogen in Nederland. Officieel behoor ik tot de tweede generatie. Mijn ouders kwamen uit China, maar er bestond al langer een band met Nederland: mijn opa en overgrootvader werkten hier lange tijd.

De discriminerende teksten en het radioliedje ervaar ik als ver-schrik-ke-lijk. Mensen die zulke dingen doen, weten niet hoeveel pijn ze veroorzaken bij anderen. Hoe durven ze Chinese Nederlanders in verband te brengen met het coronavirus? Er zijn verschillende groepen Chinezen in Nederland: uit Hongkong, Guangzhou en Wenzhou en omstreken. Er wonen hier mensen met familie, vrienden en kennissen daar die leven met de angst ziek te worden of zelfs al ziek zijn.

Dit soort uitlatingen is het gevolg van stereotyperende beeldvorming over Chinezen. Denk aan een typetje als Ushi van Wendy van Dijk dat bedoeld is als een Japanner, maar voor een Chinees wordt aangezien. Het zijn nooit normale Aziaten die in beeld komen. Veel mensen denken dat alle Chinezen hier in een Chinees restaurant werken, maar dat is allang niet meer zo. En iedereen met een Aziatisch uiterlijk wordt meteen Chinees genoemd, ook al komt hij of zij uit Zuid-Korea.

Op de basisschool ben ik eens op een kermis in elkaar geslagen vanwege mijn uiterlijk. Dat vertelde ik aan niemand, ook niet thuis - je klaagde niet. Nog steeds krijg ik de vraag: ‘Waar kom je echt vandaan?’ Dat is heel raar, je bestempelt me zo als niet-Nederlander. Na afloop van een Concert at Sea waar ik was met mijn vriend, nu mijn man, een autochtone Nederlander, kreeg ik van alles naar mijn hoofd geslingerd: kreten als ‘sambalbij’, ‘foe yong hai’ en ‘babi pangang’. Ik was dat gewend, maar mijn partner was helemaal geschokt. Helemaal toen iemand riep: “Ga terug naar je eigen land.”

De petitie die ik heb opgezet, werd binnen een paar dagen ondertekend door tienduizenden mensen, ook door Chinezen die al 35 jaar in Nederland wonen, maar zich nog nooit hebben laten horen. De vooroordelen zijn deels te wijten aan de opstelling van de eerste generatie Chinezen in Nederland. Mijn ouders werkten 365 dagen per jaar in hun restaurant, dag en nacht, en klaagden nooit. Daar hadden ze geen tijd voor. Ze wilden de vrede bewaren, in het belang van het collectief. Maar ik wil discriminerende opmerkingen niet langer accepteren. Voor mijn kinderen. Ik wil niet dat ze opgroeien met twijfel over de vraag: ben ik nu Chinees of Nederlander? Op zo’n jonge leeftijd hoeven ze niet te worstelen met hun identiteit.’

‘ik voelde me heel ongemakkelijk als hanky panky Shanghai werd gezongen’

wie: Kenny Wu (20), student commerciële economie

waarom: sprak zich uit tegen discriminerend filmpje op jongerenplatform Rumag

‘Mijn ouders kwamen met mijn opa en oma op jonge leeftijd naar Nederland. Ik ben hier geboren en opgegroeid in Hoorn, waar mijn vader en moeder een restaurant runnen. Toen jongerenplatform Rumag vorig jaar een discriminerende video plaatste over Chinezen heb ik me daartegen uitgesproken op sociale media. Daarna werd ik uitgenodigd om mijn verhaal te doen in diverse media, waaronder het radioprogramma Nieuws en Co.

Wat nu is gebeurd met het kwetsende carnavalslied, is bepaald niet nieuw. Het coronavirus gooit olie op het vuur van racisme en discriminatie dat allang brandde. Ik verdedig mezelf op sociale media, maar er zijn genoeg Chinese Nederlanders - vooral ouderen - die dat niet kunnen.

Vooroordelen of kwetsende opmerkingen raken me. Hoe vaak ik niet gewezen ben op de situatie van de Oeigoeren, een islamitische bevolkingsgroep die wordt onderdrukt door de Chinese overheid. Naar mijn idee is het oneerlijk een hele bevolkingsgroep aansprakelijk te stellen voor de keuzes die de Chinese overheid maakt. Ik ben in Nederland opgegroeid en dat is een deel van mijn identiteit, dat kan niemand van mij afnemen.

Ik krijg weleens opmerkingen te horen als ‘poepchinees’, ‘babi pangang’ of ‘afhaalchinees’. Op de basisschool waar ik zat, werd het liedje ‘hanky panky Shanghai’ gezongen. Als enige Chinees kind in de klas, voelde ik me daar heel ongemakkelijk onder. Het is ontzettend jammer dat kinderen op jonge leeftijd al te maken krijgen met zulke situaties, waardoor ze een afkeer kunnen krijgen van hun etnische achtergrond. Iedere persoon is uniek, en niemand verdient het om onzeker gemaakt te worden over zijn/haar identiteit.

Chinese Nederlanders hebben vaak het imago dat je hun alles kunt flikken. Ze zeggen of doen toch niets terug. Ze kwamen naar Nederland om een restaurant te beginnen, en leefden in een eigen bubbel. Ze werkten hard en zeurden niet. Racisme tegen Chinese Nederlanders wordt vaak gezien als grapje, terwijl het net zo erg is als racisme tegen andere etnische groepen. Volgens mij maakt het niet uit welke etnische achtergrond je hebt, het hoort vanzelfsprekend te zijn dat we respect hebben voor elkaar.

Mijn moeder spreekt niet goed Nederlands. Als ik op straat een opmerking naar mijn hoofd kreeg, zei ze: “Laat maar gaan.” Zij heeft niet zo’n basis als ik. Dat is het grote verschil tussen de generatie van mijn ouders en die van mij. Ik beheers de Nederlandse taal, heb een netwerk in Nederland en weet hoe ik mijn mening moet ventileren. Natuurlijk had het geholpen als de oudere Chinezen meer naar buiten waren getreden, maar dat geeft niemand het recht om racistische taal uit te slaan.’


Bei Wang - Michiel Bles

‘toen ik het coronalied hoorde, schrok ik me kapot. Dit is puur racisme’

wie: Bei Wang (42), eigenaar consultancybureau voor Chinese markt

waarom: plaatste oproep tegen discriminatie op sociale media

‘Ik ben geboren in Nanjing, vlak bij Shanghai. In verband met een studie Europese cultuur en geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam kwam ik in 2000 naar Nederland, op 21-jarige leeftijd. Dankzij de liefde ben ik gebleven. Ik werd verliefd op een jonge, Nederlandse man. Twee jaar later zijn we getrouwd. We hebben twee kinderen.

In de supermarkt stond een groepje jongeren achter me, bij de kassa. Ze gingen vervolgens naar een andere kassa en riepen ‘coronavirus’ naar me. Dit incident maakte me verdrietig en boos. Ik deed een oproep op sociale media om Chinese Nederlanders niet op deze manier te kwetsen. Bij de NOS legde ik uit dit gedrag eerder onwetendheid en domheid te vinden dan racisme. Ik wilde het niet opblazen. Maar een week later kwam het coronalied op Radio 10. Toen ik het hoorde, schrok ik me kapot. Dit is geen domheid meer, dit is puur racisme. Onbegrijpelijk dat een medium dit uitzendt. Ze beledigen niet alleen mij, maar een complete bevolkingsgroep. Je zou verwachten dat een radiostation zijn verantwoordelijkheid kent.

Twintig jaar geleden was er nog niet zo veel discriminatie als nu. Het internet stond nog in de kinderschoenen en sociale media bestonden nog niet. In deze tijd van nepnieuws en populisme worden ook veel meer beledigende en racistische boodschappen verspreid.

Mijn generatie is succesvol in de zaken- en horecawereld, maar heeft zich niet geprofileerd in de maatschappij. Dat is ook een kwestie van onmacht. Als je de taal niet beheerst ... Het heeft tien jaar geduurd voordat ik de nuances van de Nederlandse taal begreep.

Jonge Chinezen laten zich nu wel horen. Beter laat dan nooit. Andere bevolkingsgroepen zijn al langer in Nederland dan de Chinezen, maar het gesprek over slavernij is van recente datum. Emancipatie duurt een tijd. Het zou goed zijn als er iemand met een Aziatisch uiterlijk op televisie kwam, niet als gast, maar als presentator.

Door de discussie over discriminatie van Chinese Nederlanders komt bij mij ook weer veel boven. Ik weet nog dat ik een keer met mijn man naar dansles ging. Dat was in het begin van onze relatie. De instructeur vroeg hoe ik heette. Ik zei: Bei. Waarop hij reageerde met: ‘sambalbij?’ Mijn man werd toen heel boos. Ik ben het nooit meer vergeten.

Wanneer iets een grap is en wanneer een discriminerende uiting? Dat hangt af van de context. Een grapje als vrienden onderling moet kunnen.

Op straat zomaar iets roepen op grond van iemands uiterlijk vind ik onacceptabel.’

Mail de redactie
Mail de redactie
Heeft u een tip over dit onderwerp, ziet u een spelfout of feitelijke onjuistheid? We stellen het zeer op prijs als u ons daarover een bericht stuurt.