Leven met een rouwrandje

Anita Witzier: ‘Door zin te geven aan het leven, geef je ook zin aan de dood.’ Media
Anita Witzier: ‘Door zin te geven aan het leven, geef je ook zin aan de dood.’ | beeld kro-ncrv
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

De dood van haar ouders behoort tot de mooiste momenten van haar leven, vindt Anita Witzier. Ze presenteert op Allerzielen, aanstaande donderdag 2 november, het jaarlijkse programma Voor wie steek jij een kaarsje op?

In de voortuin lopen werkmannen bedrijvig heen en weer tussen de herfstbladeren. De voordeur zwaait uitnodigend open. Anita ­Witzier (55), in een slank gesneden groene broek en een shirt met glitters, geeft hartelijk een hand. Ze gaat voorop, naar de royale keukentafel. Schuift vlug wat spullen aan de kant, stopt me een attentie van het Reumafonds – waarvan ze ambassadeur is – toe. ‘Het was zo druk, de afgelopen week. Ik heb amper tijd gehad om te slapen, koken of op te ruimen’, moppert de blonde presentatrice vrolijk.

Als ze ook heeft plaatsgenomen op een keukenstoel, worden we opgeschrikt door het kabaal van een drilboor. Witzier knikt met haar hoofd richting de voortuin. Er wordt een laadpaal aangelegd, voor de elektrische auto. ‘Zul je net zien; het was de hele ochtend rustig. Dat geluid kan nooit lang duren, toch?’ Ze heeft ­gelijk. Het wordt al snel weer stil.

Anita Witzier kwam, als kind van een begrafenisondernemer, al vroeg in aanraking met de dood. Met het presenteren van programma’s als ­Liefde voor later en Voor wie steek jij een kaarsje op? blijft sterven een belangrijk thema in haar leven.

In Voor wie steek jij een kaarsje op? staat de presentatrice stil bij overleden dierbaren, door middel van reportages en muziek van bekende Nederlandse artiesten.

Hoe is het om dit programma te presenteren?

‘Het is altijd weer erg indrukwekkend om zo dicht bij nabestaanden te komen. Ik heb twee van de drie reportages gedaan: die van Vincent van der Linden en Jasper Roelofs. Twee jonge knullen. Veel te jong. Toch hebben beide verhalen iets heel eigens. Jasper was zestien toen hij om het leven kwam bij een verkeersongeval. Het troost zijn ouders enorm dat zijn organen konden worden gedoneerd aan vijf verschillende mensen.

Vincent was drieëntwintig, hij kwam ook in het verkeer om. Zijn vader overleed een paar jaar eerder; Vincent droeg sindsdien de zorg voor zijn Marokkaanse moeder en zusje. Hij was buitengewoon geliefd. Hij was vuilnisman, had een enorm verbindende factor. Allerlei culturen, rangen en standen waren vertegenwoordigd bij zijn begrafenis. Er is een stille tocht voor hem gehouden. Toen we bij dat gezin kwamen … Het verdriet hing als een zware deken in huis, het was zó aanraakbaar bij zijn moeder.’

Hoe doet u dat, als u bij een gezin komt waar het verdriet zo aanwezig is?

‘Ja, dat vind ik ook niet heel makkelijk … Ik luister gewoon maar.’ Met een hulpeloos gebaar: ‘Je kunt niets dóén. Alleen het verhaal een podium geven; het erover hebben. Mensen vinden dat fijn. Het heeft echt een functie.’

Is dat de functie van het programma?

‘Deels. Het is ook een uitnodiging voor anderen om erover te praten. Na een overlijden ebt de aandacht van omringenden langzaam weg; ­iedereen gaat gewoon door. Maar bij de na­bestaanden is er een litteken ontstaan. De wond heelt, maar het blijft altijd leven met een rouwrandje. Op een dag als Allerzielen, en bijvoorbeeld met verjaardagen, is het fijn om ­herinneringen op te halen. Te gedenken wie iemand was, dat te delen met elkaar. Dat verzacht de pijn misschien een beetje. Lotgenoten begrijpen waar het over gaat.’

Had u zelf wat met Allerzielen voordat u dit programma ging presenteren?

‘Nee joh, ik ben van huis uit protestants. Het is een katholieke viering; ik kende dat helemaal niet.’ Ondeugend lachend: ‘Al die beelden en toestanden, afgoderij vonden wij dat! Dus ja, het programma was voor mij ook een kennismaking met Allerzielen. De oorspronkelijke naam was Ode aan de doden. De nieuwe titel Voor wie steek jij een kaarsje op? relateert aan een heel concreet ritueel. Het geeft een handvat, nodigt uit tot praten. Je stelt die vraag, zegt: vertel je verhaal maar. Ook online. Via voorwiesteekjijeenkaarsjeop.nl kun je digitaal een kaars opsteken. Vanwege de secularisatie zijn de kerk en andere vertrouwde plekken om doden te gedenken er voor het grote publiek niet meer. Maar de dood is niet aan religie gebonden. Die is van ons allemaal. Dus de website is een uitnodiging aan iedereen. We merken dat er ontzettend veel behoefte aan is: ieder jaar worden er met Allerzielen duizenden kaarsen opgestoken.’

Wat is de troost van zo’n kaars?

‘Dat je jezelf het moment gunt om aan de overledene te denken. Een soort eerbetoon. Je bent het niet vergeten. Ook voor jezelf is het fijn; het leven is al jachtig genoeg. Ik sta natuurlijk ook niet elke dag stil bij de dood van mijn ouders. Maar op dat soort dagen wel.’

U denkt aan hen met Allerzielen?

‘Ja. Maar ook aan iedereen die ik ontmoette bij het maken van Liefde voor later, de programmareeks over mensen met een terminale ziekte. Die zijn inmiddels bijna allemaal overleden. Jonge mensen met kinderen. Veertigers, dertigers. Midden in het leven. Als ik daar voor de eerste keer kwam en ze de deur openden, dacht ik: die ziet er helemaal niet ziek uit. Het is een misverstand, hoop je. Maar dat is het niet. Er kómt een dag van overlijden.’ Witziers vuist belandt op tafel, ze verheft haar stem. ‘Er kómt een kennisgeving. En er kómt een dienst, een uitvaart. Het gebeurt gewoon! En dan is iemand er niet meer. Dat is zó raar. Onherroepelijk, onomkeerbaar.’

Is het ook oneerlijk?

‘Het leven bestaat niet uit eerlijk en oneerlijk. Dat zijn etiketten die wij hebben bedacht, omdat we ergens niet mee kunnen omgaan. Het is gewoon vette pech. Meer is het niet; er zit geen betekenis achter.

Dat kan heel nihilistisch klinken, maar het leven an sich is ook zinloos. Zin geven wij er zelf aan. Toen de populariteit van religies begon af te nemen, is het humanisme opgekomen om op een andere manier zingeving aan het leven te geven. Door de mens ­boven God te stellen en je niet van Hem af­hankelijk te maken voor zingeving, maar dat uit jezelf te halen. Zelf te kijken, te ervaren, te leren: hoe geef ik zin aan mijn leven? Dat is denk ik de kern van het leven.’

Kun je ook zin geven aan de dood?

‘Door zin te geven aan het leven, geef je ook zin aan de dood. Je hebt dan niet voor niets ­geleefd, bent voor anderen van betekenis geweest. Zelfs als je heel jong sterft: doordat je er was, gaf je je ouders geluk.

Ik denk dus dat je met andere ogen naar de dood kunt kijken. Maar ik heb makkelijk praten, want ik heb zo’n enorm verlies niet meegemaakt. Het is wel iets waar ik over nadenk. Ik vind dat een nuttige zoektocht: hoe kijk ik naar het leven en hoe kijk ik naar de dood?

Uiteindelijk gaat het natuurlijk om acceptatie, denk ik. Je kunt het oneerlijk vinden tot je een ons weegt, maar daar verander je niets mee en het blijft zoals het is. Er gebeuren mooie dingen en er gebeuren verschrikkelijke dingen, zo is het nu eenmaal.’

Wanneer heeft uw leven, en daarmee uw dood, zin gehad?

‘Ik probeer er voor anderen te zijn. Op waarde te schatten wat ik allemaal mag en kan doen. Oog te hebben voor de nooddruftigen, maar ook voor de schoonheid van het leven. En een beetje op te passen met het eten van dieren en dat soort dingen. Dat houdt me de laatste tijd erg bezig. We moeten radicaal anders gaan denken. We zijn veel te wreed en gemakzuchtig. Ik steek ook de hand in eigen boezem hoor.’

Bewust leven geeft ook zin aan het leven?

‘Ja. Niet onverschillig zijn.’

Is er iets na het leven of niet?

‘Ik kan me er van alles bij voorstellen, maar ik geloof het niet.’

Dus al die mensen voor wie die kaarsjes branden, die zijn er gewoon echt niet meer?

‘Jawel, bij ons. Dat is toch genoeg?’ Dan, zoekend naar woorden: ‘Nou, weet je, misschien is er wel een andere dimensie. We zijn natuurlijk heel erg beperkt in onze perceptie. Misschien is er nog wel een wereld, een universum ergens …’ Witzier staat op van de keukentafel, begint te ijsberen. Gooit haar handen in de lucht. ‘Het kan! Ik sluit het niet uit. Maar ik geloof niet in God de Vader, de Heilige Geest, satan, dat soort dingen. Het is prachtig hoor, het steekt de gebroeders Grimm absoluut naar de kroon qua fantasie. Maar het is natuurlijk niet waar. En als het al waar zou zijn, hoeveel is er dan nog van waar? Want het is honderdduizend keer herschreven, opnieuw geïnterpreteerd, vertaald enzovoort. Door mannen alleen! Ik heb serieuze twijfels, snap je? Ik kan het niet verenigen met mijn ratio.’

De presentatrice loopt naar het aanrecht, maakt koffie met opgeschuimde havermelk: een plantaardig alternatief voor koemelk. Maar op de plak ontbijtkoek gaat gewoon roomboter. Met een knipoog: ‘Ik had natuurlijk margarine moeten pakken, maar dat is niet te eten.’ Terwijl ze twee mokken pakt, vervolgt ze plotseling: ‘Het geloof heeft ook wel veel kapotgemaakt. Drank maakt meer kapot dan je lief is, maar religie ook.’

Op welke manier bedoelt u dat?

‘Al die strijd. Elkaar betwisten. Elkaar geen andere denktrant gunnen. Dat kan niet! God is … Als er een God is, is Hij liefde. Dan is er voor iedereen plek. Dat was de essentie. Maar nee, het moet allemaal anders. Come on.’

Hebben mensen eraan bijgedragen dat u God niet ziet zitten?

‘Ja. God is als uitgedacht concept best een goed idee hoor. Maar dan wel op mijn manier. Niet zoals het door allerlei instanties is uitgemolken en tot persoonlijk goeddunken is geboetseerd. Want dat is natuurlijk gebeurd. Om mensen te knechten. Eeuwenlang.’

Religie is ook bij uitstek iets dat mensen kan helpen bij de dood.

‘Enorm, een troost. En dan is het prachtig! Dat wil ik niemand misgunnen.

Je kunt je afvragen: als je dat niet hebt, waar haal je dan je troost uit? Wat is dan de zingeving van het leven?

Geloof is een enorm houvast; een prachtig en dankbaar houvast.’

Maar het is niet een houvast dat ook voor u geldt?

‘Ik denk het niet.’

Waar haalt u die troost wel uit?

‘Het zinvolle leven. Dat biedt troost. Ook oprecht, hoor. En weet je, dan ben je ook niet afhankelijk van iemand anders. Van iets anders. Iets wat anderen voor jou hebben bedacht. Dat vind ik een heel prettig idee.’

Uw vader was begrafenisondernemer. Kwam u daardoor al jong met de dood in aanraking?

‘Natuurlijk, ja. Ik ging vaak gezellig met mijn vader mee als ik vakantie had. Mijn ouders waren al een- en tweeënveertig toen ik geboren werd. Ik was enig kind, een echt vaderskind. Dus ja, dan zag ik overleden mensen. Dat zei mij niets, want als kind begrijp je de dood niet. Ik leerde al vroeg dat de dood bij het leven hoort. Veel mensen vinden een kerkhof bij nacht griezelig. Ik denk dan: dat is de meest veilige plek waar je kunt lopen! De doden doen echt geen gekke dingen meer.’

Bent u zelf weleens dicht bij de dood geweest? Hebt u doodsangst gekend?

‘Nee, gelukkig niet. Als ik nu te horen zou krijgen dat ik niet lang meer te leven heb, zou ik dat verschrikkelijk vinden. Ik zou niet weten hoe ik daarmee om moet gaan. Mijn leven is nog niet voltooid; mijn kinderen en partner hebben me nodig. En je wilt het toch altijd weer lente zien worden. Maar ik heb de stille hoop dat je, eenmaal oud geworden, langzaam naar de dood toegroeit. Dat loslaten makkelijker wordt.’ Met een glimlach: ‘Dat zou mooi zijn, dan ga ik alsnog in God geloven.’

Vond u het lastig om het sterven van uw ouders te accepteren?

‘Nee. Ik was bij hun beider sterven aanwezig. Terwijl ik toen nog over de hele wereld werkte.’ Met verbazing in haar stem: ‘Ik was er gewoon: wat een cadeau! Zo intiem. Ik had me niet beter kunnen wensen. Daar kijk ik, in die zin, echt met veel vreugde op terug. Het behoort tot de mooiste momenten van mijn leven: de geboorte van mijn kinderen en de dood van mijn ouders. Toen mijn moeder stierf, hebben mijn vader en ik voor haar gezongen. In onze armen is ze overleden. Hoe tof is dat? Ook voor mijn vader kon ik zingen, er voor hem zijn. En op zijn uitvaart kijk ik met enorm veel plezier terug: dat was een prachtige dag, met een borrel in zijn stamcafé.’

Wat zong u?

Neuriënd: ‘Nu gaan de bloemen nog dood, nu gaat de zon nog onder. En geen mens kan zonder …’ Vervolgt pratend: ‘Stil maar, wacht maar: alles wordt nieuw. Een heel oud liedje, van vroeger.’

Terwijl u eigenlijk niet meer gelooft dat het nieuw wordt?

‘Dat hoeft ook niet. Ik weet het niet. Het kan best. Maar het hoeft niet op de manier te gaan zoals we die aangereikt hebben gekregen. Het gaat ook over seizoenen, de gang van het leven. Altijd weer die winter, alles gaat dood. Je denkt: kan het ooit weer ...? En dan wordt het weer lente. Ik vind dat ieder jaar zo’n wonder! Zo mooi dat alles uitbundig openbarst en bloeit en groeit. Fantastisch. Daar ben ik me heel erg bewust van: alles wordt nieuw.’

N.a.v. Voor wie steek jij een kaarsje op?

2 november, 18.50 uur, npo 2, kro-ncrv

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?