De oudere van tegenwoordig: Omke (91)

Leven
beeld Duncan Wijting
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

De oudere van tegenwoordig, wie is dat? Vandaag: Omke Burema uit Westeremden. Hij heeft veel te maken gehad met ongelukken en ziektes, maar benadert het leven graag met humor. Geintjes uithalen zit in zijn natuur.

‘Mensen in de maling nemen vind ik heel grappig. Jaren geleden vierde ik oud en nieuw met vrienden in huis. Ik vond dat ze met mij naar buiten moesten, maar ze bleven binnen. Toen heb ik de schoorsteen dicht gestopt, waardoor er rook in de huiskamer kwam. Plotseling kwamen ze wél naar buiten. Daar grinnik ik nog vaak om. Mopjes vertellen doe ik ook graag. Humor maakt het leven luchtig, dat is belangrijk te beseffen.

Ik had namelijk al vroeg te maken met ongelukken en ziektes. Al bijna mijn hele leven ben ik blind aan mijn linkeroog. Toen ik twaalf was, fietste ik door Westeremden. Kinderen speelden langs de weg met een zelfgemaakte pijl en boog van riet. Ze riepen me, omdat ze me op mijn rug wilden raken. Ik keek achterom en het riet kwam recht in mijn oog terecht. Negen weken lag ik in het ziekenhuis. Mijn oog kon ik behouden, maar het zicht aan die kant is sindsdien weg. Ik vond het toen geen drama, want ik leerde er snel mee leven. Die onrust ervaar ik nu pas, omdat mijn andere oog nu achteruit gaat. Ik ben mijn rijbewijs bijvoorbeeld om die reden kwijt.

In mijn kindertijd ben ik ook eens uit een auto geslingerd, toen ik met mijn vader op pad was. Ik belandde voor een groot wiel van een wagen. Die stopte gelukkig net op tijd. Maar ik was wel drie dagen bewusteloos.

Ook later in mijn leven lag ik vaak op het randje van de dood. Op mijn 42e kreeg ik bijvoorbeeld kanker. Ik ben geopereerd en bestraald en lag vaak in het ziekenhuis. De gedachte dat ik best eens dood zou kunnen gaan, maakte veel indruk op mij. Ik beloofde God om Hem trouw te blijven. Ik zei: “God, als U mij laat leven, zodat ik oud mag worden met mijn vrouw en bij onze kinderen kan zijn, kom ik de rest van mijn leven schaamteloos voor U uit.” En dat is uiteindelijk ook uitgekomen. Ik leef immers nog steeds zelfstandig met mijn vrouw op onze boerderij. Daar ben ik ontzettend dankbaar voor. Ook als het minder goed gaat, herinnert die belofte me eraan dat God mijn houvast is.

Dat realiseerde ik me ook op de zwaarste dag van mijn leven. Zes jaar geleden overleed mijn kleinzoon op twaalfjarige leeftijd. Hij sprong uit een kleine sjofel, waarna zijn hoofd tegen een cabinebeugel klapte. Mijn zoon en schoondochter belden ons. Mijn vrouw vroeg: “Moet hij nu naar het ziekenhuis?” Ze antwoordden: “Hij is dood, mama.” Toen ging ik kapot vanbinnen. En die wond zit er nog steeds.

Gelukkig heb ik een goede band met mijn kinderen en kleinkinderen. We zien elkaar regelmatig en dan is het gezellig. Ik vind het alleen lastig om met hen over het geloof te praten. Met vreemden gaat dat beter. Mijn kinderen zijn vrijzinniger dan ik, en daar heb ik wel moeite mee. Ze groeien op in welvaart, waardoor ik bang ben dat ze eerder van God afdwalen.

Sinds mijn belofte aan God ben ik ‘zwaarder’ over het geloof gaan denken. Op mijn 78e ben ik nog van kerk veranderd, omdat ik vond dat die gemeente te vrijzinnig werd: abortus werd bijvoorbeeld goedgepraat, en daar was ik het mee oneens.

De wereld is erg veranderd. Dat kan ik al zien aan Westeremden, waar ik mijn hele leven heb gewoond en waar ik de oudste ben van de vierhonderd inwoners. Jongeren groeien nu op in rijkdom en zijn erg op zichzelf. Ik groeide hier op in armoede. We waren op elkaar aangewezen. Iedereen ging met elkaar om, of je nu rijk of arm was. Mijn ouders hadden contact met iedereen.

Ik hielp mijn vader met de melkveehouderij en zat in het melktransport, zonder rijbewijs. Ik betaalde de boetes en reed gewoon door. Ook hielp ik mijn vader met het melken van schapen, zodat er boter kon worden gemaakt. Als er geen rooie cent was, smeerden we de boter wat dunner op onze boterham.

Mijn hele leven was ik druk met het boerenleven. Ik had tweeduizend kippen en was schapenhouder. Daarnaast was ik onder andere actief in de kerkenraad en het schoolbestuur. Leiding nemen kon ik wel. Daar stond ik ook om bekend: de voorman die opkomt voor de zwakkere. Ik offerde me ook op als iemand werd gepest.

Maar door mijn drukke bezigheden was ik weinig thuis. Mijn vrouw, die ik op mijn 22e leerde kennen, bracht de kinderen groot. Daar ben ik haar dankbaar voor. Laatst zat ik in de kamer en toen vroeg ik me af: wat als ik hier zonder haar zou zitten? Ik zie ertegen op om haar te verliezen. Iedere dag staan er thee en een maaltijd voor me klaar. Ze neemt de telefoon op – omdat ze beter Nederlands kan dan ik – en ze maakt mijn bed op. Ze verwent me. Mijn vrouw is een heel ander persoon dan ik. Ik ben een uitgesproken persoonlijkheid met veel grapjes, maar ik raak ook gauw geïrriteerd. Mijn vrouw is rustig en kan met iedereen door één deur.

Het is genade dat we nog samen zelfstandig thuis wonen. Ik verzorg mijn eenden en ganzen en ben bezig in mijn tuintje. Af en toe fietsen we een rondje in de buurt. Hopelijk kan ik hier tot aan mijn dood op deze boerderij wonen. Het liefste zou ik honderd worden, maar ik weet niet eens of ik morgen wel haal. Zelf sterven vind ik minder eng dan iemand verliezen. Ik weet toch dat het goed is bij God en dat ik op Hem vertrouw. Maar hoe dat precies zal zijn, weet ik niet. God blijft voor nu in het verborgene.’ ◆

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?