Stilgezet: 1 Samuël 30:3-4 - Klagen

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

1 Samuël 30:3-4

Toen David en zijn mannen bij Siklag aankwamen en zagen dat de stad in de as was gelegd en dat hun vrouwen en kinderen waren weggevoerd, begonnen ze luidkeels te jammeren, tot ze geen kracht meer hadden om te huilen.

Eerst zoeken ze nog woest tussen de puinhopen. Hijgend sjorren ze neergestorte balken opzij om in hun huis te kunnen komen. Later staan ze allemaal verslagen bijeen op wat eens het marktplein was: niemand gevonden, geen levenden, geen doden. Ze zijn weg. Weggevoerd door een of andere nomadenbende. Wie weet waarheen! Wie weet wat die kerels hun aandoen! En dan bar …
PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?