Geschiedenis zonder dominees

Historicus Peter van Dam: ‘Menselijke overwegingen zijn net zo belangrijk als, of zelfs belangrijker dan het kerkgenootschap waarvan een gemeente deel uitmaakt.’ Geloof
Historicus Peter van Dam: ‘Menselijke overwegingen zijn net zo belangrijk als, of zelfs belangrijker dan het kerkgenootschap waarvan een gemeente deel uitmaakt.’ | beeld Martin Waalboer
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Amsterdam

De Amsterdamse historicus Peter van Dam (1981) schreef een opmerkelijk boek over de geschiedenis van de religie in Nederland: Een calvinistisch land? Religie in Nederland. Het is een stuk dunner dan de meeste boeken over dit onderwerp, en theologen en andere kerkelijke spraakmakers komen er nauwelijks in voor. Arminius en Gomarus worden niet genoemd, Voetius en De Cock eenmaal. De toppers zijn Kuyper en Calvijn, die ieder vijfmaal worden genoemd. Vergelijk dat eens met standaardwerken als Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis van Herman Selderhuis, of Nederlandse kerkgeschiedenis van Otto de Jong, waar het pagina’s achter elkaar over deze grote mannen gaat. Synodes en scheuringen worden slechts zijdelings door Van Dam ter sprake gebracht. Aan de andere kant: Sylvia Millecam, de actrice, en Abe Lenstra, de voetballer, komen bij Selderhuis en De Jong niet voor, wel bij Van Dam.

dominees en dogma’s

Dat zal wennen zijn voor lezers die bij religie in Nederland aan kerken, dominees en dogma’s denken, erkent Van Dam. ‘Ik ben niet als een kerkhistoricus te werk gegaan, ik heb niet beschreven hoe de kerk en de theologie zich ontwikkeld hebben. Mijn uitgangspunt was de vraag hoe mensen hun religie en die van anderen hebben beleefd. Daarom moest ik het belang van de theologie wel relativeren. Iedereen die naar kerk gaat, weet dat het kerkelijk leven meer is dan leerstellige kwesties en de preek van afgelopen zondag. Het gaat over mensen die bij elkaar komen en een gemeenschap vormen.’

Van Dam, christelijk-gereformeerd opgevoed, nu lid van Protestantse Kerk in Nederland, wil maar zeggen: in een kerkelijke gemeenschap gaat het er menselijk aan toe. ‘Als een gemeenschap scheurt, ligt dat vaak aan persoonlijke verschillen, die versterkt worden door theologische kwesties. Je ziet het ook als mensen verhuizen en een nieuwe kerkelijke gemeente kiezen. Dan kijken ze niet alleen naar hoe er gepreekt wordt, maar ook naar de mensen die er in de kerk zitten en wat er gezongen wordt. Als er veel hoogopgeleiden in de kerk zitten, en je bent zelf laagopgeleid, ga je waarschijnlijk verder zoeken. Zulke menselijke overwegingen zijn net zo belangrijk als, of zelfs belangrijker dan het kerkgenootschap waarvan een gemeente deel uitmaakt of de theologische ligging van de voorganger.’

Zo gaat het nu, en in het verleden ging het niet anders, meent Van Dam. Hij relativeert dus de populaire opvatting dat Nederlanders een volk van theologen zijn, en dat hun voorliefde voor theologiseren verklaart waarom er zoveel scheuringen en kerkgenootschappen zijn. ‘Sinds de Afscheiding van 1834 is het vrij eenvoudig een nieuwe kerk te beginnen als de oude niet meer bevalt. Die scheuringen zijn veelal theologisch uitgelegd, hoewel de theologische ruzies hand in hand gingen met tegengestelde belangen en botsende persoonlijkheden. Menselijke gevoelens als ijdelheid en afgunst bleken net zo belangrijk te zijn als leerstelligheden.’

vervloekte afgoderij

Ook de Reformatie van de zestiende eeuw, waaruit het protestantisme is voortgekomen, was meer dan theologie alleen, meent Van Dam. ‘Aanvankelijk voelde men zich nog niet tot een keuze gedwongen, voor of tegen de paus, voor of tegen Luther en Calvijn. Het verschijnsel kerkscheuring was nog onbekend. Pas in de loop van het conflict zijn de posities verhard en theologisch onderbouwd in belijdenisgeschriften als de Heidelbergse Catechismus. Daarbij werden woorden gebruikt die we nu niet meer gebruiken, zoals de ‘paapse mis’, die een ‘vervloekte afgoderij’ wordt genoemd.

De theologische conflicten uit de tijd van de Reformatie hadden grote sociale gevolgen. Mensen werden uit hun stad of land verjaagd. De Tachtigjarige Oorlog, deels een gevolg van de Reformatie, was lang niet alleen een religieus conflict. Ook voor de Reformatie geldt: religie staat nooit op zichzelf, ze is nauw verbonden met menselijke motieven en gedragingen.’

Van Dam schuwt de gebruikelijke kerkhistorische begrippen als synode, dogma en confessie. Over de Synode van Dordrecht van 1618/’19, waar de uitverkiezingsleer van de remonstranten werd verworpen en de Dordtse Leerregels werden opgesteld, zegt hij: ‘Het klinkt een beetje technisch, maar ik denk dat de besluiten van de Dordtse synode horen bij een gemeenschap die naar haar identiteit op zoek is. In het proces van de Reformatie wordt het voor protestanten steeds belangrijker om te zeggen wie ze zijn, waar ze voor staan en hoe ze zich verhouden tot andere religieuze richtingen. Daarom waren er protestanten uit heel Europa aanwezig op de synode in Dordrecht, om te bedenken en te benoemen wie ze zijn, en hoe ze met anderen zullen omgaan.’

Barth en Graham

De buitenlandse gasten in Dordrecht waren geen incident. Van Dam laat voortdurend zien hoe sterk de religie in Nederland vanuit het buitenland beïnvloed is. Hij spreekt niet graag van kerkgeschiedenis, en nog minder van Nederlandse kerkgeschiedenis, zoals Selderhuis en De Jong tot in de titels van hun boeken doen. Immers, Calvijn kwam uit Genève en de eerste calvinistische gemeenten werden gesticht door Nederlandse ballingen in Emden en Londen. De katholieken gingen over de grens op bedevaart, in Kevelaer, en aan het hoofd van hun kerk staat de paus in Rome. In de twintigste eeuw lieten vernieuwingsbewegingen zich inspireren door de Zwitser Karl Barth en de Amerikaan Billy Graham. Hoezo Néderlandse kerkgeschiedenis?

Het is niet de eerste keer dat Van Dam van een mythe spreekt. In 2011 schreef hij een kritisch boek over de verzuiling, het idee dat de Nederlandse samenleving in starre en scherp afgebakende bevolkingsgroepen verdeeld was. In dat boek, Staat van verzuiling, noemt hij de verzuiling een mythe en ‘een fundamenteel vertekend beeld van de Nederlandse geschiedenis’.

Hakt hij nu met hetzelfde bijltje en meent hij dat de traditionele kerkgeschiedenis een mythe schept en een vertekend beeld van het religieuze verleden geeft? Van Dam aarzelt even, en zegt dan: ‘Ik denk dat ik milder ben over de kerkhistorische benadering van het religieuze verleden dan over de verzuiling. Verzuiling is een metafoor die ons beeld van het verleden vertekent. Een kerkhistorische benadering richt zich daarentegen op een specifiek aspect van het verleden: de kerk, de theologie. Maar als we het daarbij laten, doen we net alsof conflicten in de kerk toen enkel theologisch gemotiveerd waren. Op die manier valt de geschiedenis van religie niet te begrijpen.’

Harry Kuitert

Toch zijn er periodes in de kerkgeschiedenis waarin de theologen meer dan een bijrol speelden. De snelle veranderingen in de Gereformeerde Kerken sinds de jaren zestig zouden ondenkbaar zijn zonder Harry Kuitert of Herman Wiersinga, die kritisch dachten over het gezag van de Bijbel of de gereformeerde verzoeningsleer. De theologen gaan voorop, werd er toen gezegd. Is dat een misverstand?

‘Het is niet het hele verhaal’, meent Van Dam. ‘Het zal van persoon tot persoon verschillen, maar wat Kuitert en Wiersinga zeiden, sloot aan bij wat veel gereformeerden al dachten of voelden en hoe er in de samenleving werd gedacht en gevoeld. Mensen waren minder bereid om het oude vanzelfsprekend te vinden en verlangden naar autonomie in hun denken, ook over Bijbel en geloofsleer. Moderne gereformeerde predikanten en theologen zochten de ruimte, en kregen die. Je hoort me niet zeggen dat alle theologie vanuit de samenleving verklaard kan worden. Maar de maatschappelijke omstandigheden zijn wel van invloed geweest, meer dan de traditionele kerkhistorici ons laten geloven.’

Naar aanleiding van:
Een calvinistisch land? Religie in Nederland
Peter van Dam. Uitg. AUP, Amsterdam 2018. 167 blz., € 9,99

PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?