‘Ik wil absoluut niet dat ze mijn doodskist dichtschroeven’

<p>Marieke van Meijeren: ‘Ik heb het gevoel met dit boek te hebben teruggekeken op mijn leven.’</p> Cultuur

Marieke van Meijeren: ‘Ik heb het gevoel met dit boek te hebben teruggekeken op mijn leven.’

| beeld Carel Schutte
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Marieke van Meijeren is chronisch kwetsbaar voor depressies. In haar tweede roman Een hemel zonder schroeven schrijft ze over de angst voor het verlies van autonomie en waardigheid.

Kunsthistoricus Marieke van Meijeren debuteerde in 2014 met haar roman Vleugelslag, een boek over een Congolees meisje. Ze werkte aan dat boek toen ze met haar man in Congo woonde van 2011 tot 2013. Eind 2012 worden ze geëvacueerd omdat hun woonplaats door rebellen werd ingenomen.

In Een hemel zonder schroeven ontmoeten weMaria. Het verhaal begint in 2065, ze is al oud en begraaft haar geliefde man Aron. Seth, haar zoon, staat naast haar. Het gaat niet goed met Maria, ze raakt de controle over zichzelf steeds verder kwijt. Ze plast in haar broek, is bijna blind en verward. Seth wil dat ze naar een verzorgingshuis gaat. Maar Maria is eigenzinnig, op het nukkige af. Nooit van haar leven zal ze naar zo’n tehuis gaan.

Waar die stelligheid vandaan komt, weten we. Toen Maria een jaar of dertig was, werd ze door een fout enige dagen opgenomen op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis. Niemand geloofde haar toen ze zei dat er iets niet klopte, dat ze naar huis moest. Hoewel ze toen al heel diep was weggezakt in een depressie. Geen stem meer hebben, geen invloed, niets meer om in te brengen: dat nooit meer.

Kunnen we de naam Maria vervangen door de naam Marieke?

‘De jonge Maria is autobiografisch. De Maria van 82 jaar is fictief, maar ik heb het gevoel dat ik die vrouw zou kunnen zijn.’

Waarom schrijf u over een vrouw die leeft in 2065?

‘Ik ben bang om oud te worden. Bang een nukkig iemand te worden, een zure vrouw die altijd piekert.’

Daar bent u nu al bang voor?

‘Ja. Ik denk weleens, griebels ik moet misschien nog vijftig jaar. Ik zie dat gewoon echt niet zitten. Dat klinkt depressief, hè? Maar ik vind iedere dag een opgave.’

Inderdaad.

‘Het gaat nu best goed met mij, maar ik zit nog wel aan de antidepressiva. Vorige week viel het weer over mij. Mijn adem versnelde, ik voelde angst. Het gaat niet goed met mij, dacht ik. Drieënhalf jaar geleden werd ik zwaar depressief. Daarnaast had ik PTSS. Mijn man en ik hebben een paar jaar in Congo gewoond, in het oosten. Toen rebellenleger M23 oprukte naar Goma, moesten wij evacueren. Daarna hebben we nog een halfjaar vlak over de grens met Congo gewoond. Ik kwam thuis, kreeg onze baby en daarna stortte ik volledig in. Nu ben ik alweer een hele tijd stabiel. Maar die depressie was niet eenmalig. Ik ben chronisch kwetsbaar, het zal altijd schommelen. Dat heeft iets engs.’

We lezen dat Maria in het boek een poging tot zelfdoding overweegt.

‘Ik heb daar serieus over nagedacht; op internet allerlei dingen opgezocht, over hoeveel pillen ik nodig zou hebben en welke andere manieren er zijn voor zelfdoding. Zover ben ik weggeweest.’

U vertelt er openhartig over.

‘Ik heb het gevoel met dit boek te hebben teruggekeken op mijn leven. Ik ben pas drieëndertig, maar het heeft mij geholpen mezelf te accepteren. Dat ik kwetsbaar ben en makkelijk over de rand kukel. Het is goed zoals ik ben, dat klinkt zo zalvend of therapeutisch, maar ergens is het wel goed zoals ik ben. Dat kon ik eerst niet zeggen. In 2008 was ik ook al eens depressief, maar toen kon ik er amper met mensen over praten. Ik wilde een bepaalde status hooghouden, van sterk zijn. Nu interesseert mij dat niet meer.’

Uw geloof speelt een rol in dit boek. U beschrijft een mystieke ervaring. Vertel daar eens over.

‘Ik ben opgegroeid in de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, dat is een zware kerk met in onze gemeente in Barneveld drieduizend leden. Toen ik 22 jaar was, ging ik aan het avondmaal. Dat deden alleen de mensen die zeker wisten dat ze een kind van God ­waren. Bij ons waren dat een man of twintig. Ik ging ook aan de avondmaalstafel ­zitten. Dat was wat. Onder de veertig deed niemand dat.

Dat avondmaal, daar gebeurde iets.

‘Veel diensten gingen over Hooglied: Hij is blank, Hij is rood, zie dat is hem, mijn vriend. Ik hoorde een stem tegen mij zeggen: je bent schoon vriendin, je bent mooi. In het boek schrijf ik in de avondmaalsscène: ‘‘Ze at Jezus en Hij at haar. Zonder Hem ging ze dood, en zonder haar ging Hij dood.’’ Zo ervoer ik dat op dat moment. Hij had mij aangesproken en mij aan zijn tafel geroepen.’

En daarna?

‘Een week later belde een ouderling op. Ik werd getest. Hij vroeg omslachtig enkele dingen die ik niet begreep. Oh, bedoelt u of het al Kerst is geweest in mijn leven? Nou dat klopte wel, Jezus is echt in mijn hart geboren. Ik was in die tijd meer met God en de hemel bezig dan met het leven hier. Ik zei tegen mijn voorganger dat ik het leven hier niet meer aankon. Ik bad vaak met de vraag of ik mijn volgende verjaardag thuis mocht vieren, bij God. Zo vervuld was ik.’

Was?

‘Sinds ik drieënhalf jaar geleden behoorlijk depressief werd, ben ik God ook een beetje kwijtgeraakt. Ik weet niet goed meer waar Hij is, alleen dat Hij niet enkel als een broodje op een schaaltje ligt. Maar dat maakt het misschien wel ingewikkelder. Nu ervaar ik hem soms in kunst en in literatuur. Dan voel ik dezelfde vrede als vijftien jaar geleden tijdens dat avondmaal. Niet dat dat een referentiekader is. Ik ben opgevoed met ‘het geloof is uit het gehoor en het gehoor is uit het woord Gods’. Dat geloof ik nog steeds, maar het kan ook in kunst zitten, of als je op de fiets vogels hoort. Het is troostend dat Hij overal is.’

In het boek is Maria voortdurend bezig pijn te verdoven, is dat omdat ze het leven uiteindelijk niet meer aankan?

‘Een hoofdstuk begint inderdaad met: ‘‘De pijn verdoven, daar ging het om.’’ Die zin loopt door het hele boek. Elke keer probeert Maria haar hoofd te verdoven met kunst, muziek, alcohol. Maar ze komt er niet verder mee. Het helpt alleen om even niet te voelen. Ik geloof dat je uiteindelijk God nodig hebt om het leven aan te kunnen. Daarom staat ook die avondmaalsscène in het boek.’

Want na dat avondmaal kon u het leven wel aan?

‘Nee, ik wil het niet afdoen met: ik heb God gevonden en nu is het boek klaar. Maar ik wilde Hem een plek geven. Want als je God niet vindt, dan kan de alcohol je nog zo goed smaken, je houtskooltekeningen nog zo mooi zijn, je kunt de godganse dag perenboomtakjes natekenen en je kat slaan, maar daarmee kun je het leven echt niet aan. Ik kwam terug op mijn mystieke ontmaagding, die avondmaalsviering om daar iets over te zeggen.’

Hoe vult God dan die leegte?

‘Laat ik eerlijk zijn, ik ervaar Hem nog helemaal niet zo. Maar ik geloof wel dat Hij die leegte kan vullen. Het hoeft ook niet groots en mystiek te zijn. Met je hoofd in de regen lopen en even God ervaren, dan kun je het leven misschien ook wel aan.’

Je kunt God dan toch ook ervaren als je de hele dag perenboomtakjes natekent?

‘Ja, dat zou kunnen.’

Ligt de lat om God te kunnen ervaren niet heel hoog na zo’n mystieke ervaring?

‘Dat is de achtergrond waaruit ik kom. Dan heb je het, dan is het goed. Dan kun je rechtstreeks met vurige wagen naar de hemel.’

Maar dat is niet zo, u heeft het meegemaakt.

‘Nee, maar het heeft mij een ondergrond gegeven dat God zo voelbaar kan zijn dat je daar vijftien jaar later nog een beetje met heimwee op terug kunt kijken.’

U zei dat u chronisch kwetsbaar bent voor depressies. Heeft God een plek in uw toekomstbeeld?

‘Daar ben ik hard naar op zoek. Als je somber bent en pillen slikt, vlak je af. Alleen rationeel blijft God bestaan. Dat is dan al goed, te weten dat Hij er is. En ergens is het ook heerlijk dat het niet meer in die theatrale mystieke dingen zit. Het hangt niet meer af van wat ik voel. Maar wat blijft dan over? Niets, behalve God? Misschien is het wel goed dat er van mij helemaal niets overblijft. Laat ik mij maar vullen met Hem.’

Wat bedoelt u daarmee?

‘Het zit hem niet in ervaringen. Ik wil graag goed zijn voor God, kunnen stoelen op dingen die ik hebt meegemaakt, kunnen zeggen dat ik een stapje verder ben op de weg met Hem. Maar ik kan inmiddels niets meer zeggen, het is allemaal niet zo mooi. En dat is misschien juist wel goed.’

Uw achtergrond staat er niet zo om bekend kunstminnend te zijn. Vindt u het niet ingewikkeld romanschrijver te zijn?

‘Dat klopt, ik voel die achterban op mijn schouder als ik schrijf. Wat zullen ze hiervan zeggen? Dat ik Jezus bijvoorbeeld vergelijk met döner kebab. Maar dat wil ik schrijven, want zo zit ik in elkaar en het is mooi geschreven. Tegelijk denk ik: dit kan als een soort heiligschennis worden ervaren.’

Worstelen dus …

‘De schrijver Stevo Akkerman heeft mij geïnspireerd. Hij zei tegen mij: waarvoor je terugdeinst, daarover moet je schrijven. Dat hielp om iedereen van mijn schouder te werpen en dan maar te gaan schrijven hoe ik wil schrijven. Zoek die angst maar op, om oud te worden, nukkig te zijn, de angst om op die afdeling psychiatrie te zitten, de angst om in een doodskist te liggen.’

Angst voor een doodskist?

‘Ik heb een uitvaartondernemer gevraagd of ik een kist mocht uitproberen. Zo’n vraag had hij nog nooit gehad. In zo’n kist te moeten liggen later, en dan twee meter tachtig diep af te dalen, daar ben ik bang voor. Ik kan u zeggen, het ligt niet lekker. De uitvaartondernemer deed het deksel er ook nog op. Ik hield het amper tien seconden vol. Het was een beklemmende ervaring. Ik wil absoluut niet dat ze mijn doodskist dichtschroeven. Vandaar ook de titel, Een hemel zonder schroeven. Een plek zonder beklemming en pijn.’■

N.a.v. Een hemel zonder schroeven

Marieke van Meijeren. Uitg. Mozaïek, Utrecht 2017. 158 blz. ₠ 17,99

PDF Print Stuur door

Wil je elke dag onze nieuwsbrief met gratis artikel?