Misdrijven aan het licht

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Het was geen klein dorpskerkje met een handjevol onervaren ambtsdragers, waar ze dertig jaar geleden een grote zedenzaak opsloten in de consistorie. De vrijgemaakt-gereformeerde kerk Amersfoort-Centrum (wijk Oost was nog niet zelfstandig) telde 1800 leden. De omvang van de kerkenraad was navenant, de drie dominees golden als bestuurlijke zwaargewichten. Maar toen bleek dat een bekend lid van de gemeente een dozijn jongens had misbruikt, werd die kennis in klein comité stilgehouden. De kerkenraad haalde er geen politie bij en spoorde ook slachtoffers en hun ouders niet aan om herstel van het recht te zoeken.

Er was een omstandigheid die enig begrip oproept voor die primaire reactie, destijds. Het gezin van de verdachte werd begin 1986 getroffen door woningbrand, waarbij twee kinderen om het leven kwamen. Een zó immens drama kan ander leed overschaduwen, zelfs lange tijd uit de herinnering wegdrukken. Het kan ook de misbruikslachtoffers tijdelijk hebben verstomd.

Maar wat de daaropvolgende dertig jaar gebeurde, valt niet recht te praten. Tien jaar na dato, voorjaar 1996, stond de kerk van Amersfoort-Oost letterlijk in de schijnwerpers door een andere, grote zedenzaak, op scholengemeenschap Guido de Brès. Een televisieploeg filmde op het plein van De Schaapskooi, om rond een kerkdienst de oordelen te peilen over de school­directeur (lid van Amersfoort-Oost) die de misdrijven van zijn werknemer binnenskamers had gehouden. Als gereformeerden ooit hun les ‘bestuurlijk omgaan met seksueel misbruik’ konden leren, dan wel daar en toen. Het is onvoorstelbaar dat in die roerige weken geen van de betrokkenen heeft teruggedacht aan die grote zaak uit 1986, die óók tot de doofpot was veroordeeld. Een reeks misdrijven die tien jaar later nog lang niet juridisch verjaard was, en waarvan de slachtoffers inmiddels gelittekende jongvolwassenen waren.

De pastorale zorg ging uit naar de dader, in 1986: ‘Al ons handelen was erop gericht een eind te maken aan het misbruik’, blikt de toenmalige predikant terug. Juist in dat licht is het onbegrijpelijk dat de verdachte zijn loopbaan kon voortzetten, in de hulpverlening en het (hoger) onderwijs, in kerkelijke en andere functies waarin hij een-op-een met jongeren te maken had. Niemand van de kleine groep die zijn misbruikverleden kende, kon in al die verbanden een oogje in het zeil houden. Er was geen strafblad of ‘verklaring omtrent gedrag’ die deze zedendelinquent als waarschuwing vergezelde. Dat is geen kleine verantwoordelijkheid.

De verdachte is nu terminaal ziek. Door Gods genade hoeft hij zijn verleden niet mee te nemen in het graf. Mogelijk biedt het ook de slachtoffers nog enig herstel, dat hun rauwe pijn niet voor altijd dichtgepleisterd is.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief