Het taboe op depressie

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

De vergelijking met kanker werd vaak gemaakt, in de aanloop naar het Depressiegala, maandagavond. Ooit was dat een taboeziekte: men fluisterde over ‘K’, als iemand leed aan kwaadaardige nieuwvormingen. Tegenwoordig wordt die ernstige diagnose vrijmoedig meegedeeld, op het bedrijfsintranet of in een kerkblad bijvoorbeeld. En daarna volgt een gemeenschap van meelevenden het ziekteproces. Maar zo gaat dat niet als een kennis of collega aan depressie lijdt.

Het zijn vooral verhalen van ervaringsdeskundigen, én verse cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die tegen het taboe in stelling worden gebracht. Als jaarlijks een miljoen Nederlanders aan depressiviteit lijden, en als de wereldgezondheidsorganisatie (WHO)depressie dé welvaartsziekte van de toekomst noemt, waarom zou je er dan geheimzinnig over doen? Het is echter de vraag of statistieken volstaan om depressielijders wat mededeelzamer te maken. Het is ook een rare argumentatie eigenlijk – alsof je je voor een zeldzamere ziekte wél zou moeten generen.

Ten minste vier oorzaken houden het taboe op depressie in stand. Viermaal onwetendheid van ‘het publiek’: 1. onbekendheid met de oorzaken, 2. met de diagnose, 3. met de behandeling en 4. de geneeskans.

1. Ieder mens kan kanker krijgen, ieder mens kan in een depressie raken. Maar alleen al het label ‘welvaartsziekte’ kan patiënten met een gevoel van eigen aansprakelijkheid opzadelen. Want dat klinkt als iets waar alleen verwende mensen tijd voor hebben, iets wat je aan je eigen welstand te wijten hebt. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. Het is de welvarende maatschappij die individuen belast met de druk van torenhoge eisen en verwachtingen, en die heilzame tegenkrachten (zoals: voldoende lichaamsbeweging) verzwakt. Luxe kan je depressief maken, maar dat maakt depressiviteit niet tot een luxeprobleem.

2. Depressie is niet maar het etiket voor een verdrietig en neerslachtige gevoel. Het is een objectief herkenbaar, te diagnosticeren ziektebeeld. Het zou patiënten helpen als ze weten dat een goede arts hen nooit als kleinzielige aansteller of hypochonder de deur zal wijzen – en dat ze een dergelijk oordeel dus ook niet van hun omgeving hoeven te duchten.

3. Kenmerk van depressie is dat de patiënt die zelf als onbehandelbaar en ongeneeslijk ervaart. Een dal van diepe duisternis, een tunnel zonder licht in de verte. Bij lichamelijke ziekte, hoe ernstig ook, kan de patiënt vaak nog de geestkracht opbrengen om op genezing te hopen, daarvoor te bidden. Depressie breekt juist die geestkracht, beneemt je de adem om te bidden. Dat moeten anderen voor je doen, en tegelijk zal een arts op zoek gaan naar de beste therapie en medicatie.

4. Want depressie kán voorbijgaan. Het is dieptriest dat veel patiënten bang zijn dat hun omgeving, als eerste hun werkgever, hen zal opgeven zodra bekend wordt dat ze psychisch ziek of verzwakt zijn. Over kanker wordt vaak gepraat als over een vijand waarmee je de strijd aangaat; genezen patiënten zijn ’overwinnaars’. Wie depressief is, heeft niks met zulke retoriek. Maar juist als je zelf geen hoop hebt, moeten ánderen voor je hopen, óók je baas. Niet op een goedkope ‘kop op!’ manier, maar betrouwbaar en met reden.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief