Op school vinden kinderen tenminste nog wat geluk

Mohammeds droom is ooit een dokter te worden. Buitenland
Mohammeds droom is ooit een dokter te worden. | beeld Sjoerd Mouissie
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

In de Iraakse vluchtelingenkampen zetten leraren alle zeilen bij om hun leerlingen een toekomst te bieden. ‘Ze moeten naar school komen. Hier vinden ze tenminste nog een beetje geluk.’

Erbil

Het is twaalf uur in Harsham, een vluchtelingenkamp net buiten de stad Erbil in Noord-Irak. Een harde bel klinkt, en honderden kinderen stuiteren over de ‘straten’ van het kamp, vaak hand in hand en met veel te grote rugzakjes om.

Velen van de duizenden vluchtelingen in Erbil dachten dat ISIS binnen een paar maanden verslagen zou zijn, en dat ze snel weer naar huis zouden kunnen.

vooruitkijken

Niets bleek minder waar, de meesten wonen nu al bijna twee jaar in hun caravans of tenten. Zo langzamerhand kijken de meeste mensen weer vooruit, naar de toekomst van hun kinderen. En dat betekent: naar school.

VN-hulporganisatie Unicef zette in diverse kampen scholen neer. De leraren worden er geplaatst door het Iraakse ministerie van Onderwijs. Zij zijn bijna allemaal zelf ook gevlucht, en wonen in de wijken rond het kamp.

’s Ochtends zit er een basisschool in het gebouw, ’s middags het middelbaar onderwijs. Die ochtend zitten de twaalf klassen rond de binnenplaats vol. ‘We geven hier les aan 376 kinderen van zes tot vijftien jaar’, zegt Faras Shaba Maddi, het hoofd van de ochtendschool. Alle kinderen hebben ongeveer een schooljaar gemist door de oorlog, zegt Maddi. ‘Daarom gaan ze ’s middags vaak naar bijlessen van andere hulporganisaties.’

opgeven

Als je de tenten, caravans en zandwegen wegdenkt, lijkt de Unicef-school heel normaal. Maar schijn bedriegt.

‘Volgens de regels moeten kinderen tot hun achttiende op school zitten. Maar u begrijpt dat daar in de huidige omstandigheden wat minder op wordt gelet’, zegt Maddi met een zeker gevoel voor understatement. ‘Er zijn ouders die, door alles wat ze meegemaakt hebben, het hebben opgegeven en niet langer voor hun kinderen zorgen. Het maakt ze gewoon niet meer uit of hun kind het goed doet.’

Het hoofd van de school begrijpt de moeilijke omstandigheden van de ouders best, maar tegelijk is hij toch een beetje verontwaardigd. ‘Om eerlijk te zijn hebben wij hier in de kampen betere scholen dan de wijken eromheen.’ Er is meer aandacht voor de kinderen, en Maddi wijst regelmatig op de moderne schoolborden en de zonnepanelen die Unicef installeerde, waardoor de school niet afhankelijk is van het (onbetrouwbare) elektriciteitsnet. ‘Eigenlijk zou iedereen blij moeten zijn dat er hier zo’n school staat.’

rondhangen

Niet alleen de ouders, maar ook de kinderen hebben problemen, zegt Omar Muhammed Ismail. Hij geeft een paar kilometer verderop leiding aan de basisschool in het Baherka-kamp, waar zo’n drieduizend mensen wonen. Hij ziet dit regelmatig onder de 525 leerlingen. ‘Soms kunnen ze na veel regen niet naar school komen omdat de wegen een dikke laag modder zijn. Daarnaast worden hun prestaties en wil om te leren minder. Soms komen ze gewoon niet opdagen, en zie ik ze rondhangen in het kamp.’

De situatie van de kinderen is dubbel, zegt Ismail. ‘Aan de ene kant hebben ze hier goed onderwijs in een goed gebouw, aan de andere kant moeten ze thuis omgaan met soms zware psychologische problemen. Hun ouders zijn moe van het vluchteling-zijn, en dat is zwaar. Gezinnen van vijf of tien mensen wonen in ruimtes van anderhalve meter breed en zo hoog.’ Ismail houdt zijn hand op ruim anderhalve meter hoogte. ‘Wie kan dan nog mentaal stabiel blijven? En hoe zou jij je voelen als je alles hebt moeten achterlaten?’

hier is de plek

Het schoolhoofd spreekt ‘uiteraard’ regelmatig met de kinderen over wat hen bezighoudt. Wat hij dan zegt? ‘Dat ze naar school moeten komen. Hier is de enige plek waar ze aan een betere toekomst kunnen werken, en die ze wat geluk en nieuwe vrienden kan brengen. Dat vind je allemaal niet als je in het kamp blijft rondhangen.’ <

Mohammed (12), Baherka-kamp

‘Ik weet nog precies wanneer we moesten vluchten uit Mosul: 10 juni 2014. ISIS wilde mijn vader en broer vermoorden. We zijn toen naar een dorpje in de buurt gelopen, waar we iemand met een auto vonden. Ik weet nog dat we erg verdrietig waren, want we hadden net ons huis mooi verbouwd. We dachten dat het maar voor een maandje zou zijn, maar nu wonen we hier anderhalf jaar.

We wonen met z’n zessen in het kamp: mijn ouders, en ik heb drie broertjes. Ik had nog een broertje, maar hij is overleden. Ik mis mijn vrienden uit Mosul, ik heb ze lang niet gezien. Iedereen is uit de stad vertrokken naar allerlei plekken.

Het is leuk op school. Als ik veel leer, heb ik een betere toekomst. De leukste klas is Arabisch, want daar lezen we veel. Mijn droom is ooit dokter te worden. Als ik naar huis ga, speel ik heel even en daarna ga ik leren.

Natuurlijk wil ik terug naar Mosul. Soms praat ik met mijn nieuwe vrienden op school over wat er gebeurd is. Dat we tijdens het vluchten drie dagen zonder eten zaten. Zij maakten ook erge dingen mee. Maar dan gaan we snel weer voetballen en volleyballen, hoor.’

Wafa (12), Harsham-kamp

‘Toen ISIS Mosul binnenviel, moesten we vluchten, maar we mochten Koerdistan niet in. Na zes dagen wachten zijn we maar teruggegaan naar Mosul, maar de situatie werd daar steeds erger. Toen we opnieuw vluchtten, werd mijn vader doodgeschoten. Dat is nu twee jaar geleden. Nu woon ik met mijn moeder, een zusje en zes broers in het kamp. We hebben vijf caravans. Ik was erg verdrietig toen we gevlucht waren, omdat ik al mijn vrienden was kwijtgeraakt. Toen het kamp nog geen school had, zat ik vooral thuis. Maar nu kan ik er elke dag nieuwe vrienden zien.

Ik sta elke dag om zeven uur op. Dan was ik mijn gezicht, trek ik mijn kleren aan en ga ik naar school. Als ik weer thuis ben, help ik mijn moeder en zus met afwassen en andere klusjes.

Leren vind ik leuk, ik hoop naar de middelbare school te kunnen. Godsdienst vind ik de leukste les, want daar leren we uit de Koran lezen. Mijn droom is lerares Engels worden. Ooit wil ik ook graag terug naar Mosul.’ Wafa glimlacht bij de vraag of dat echt zal gebeuren. Ze kijkt naar haar broer, die erbij is komen staan. ‘Ooit zullen we terugkeren hè?’

Bijlagen

Fotoserie, 3 foto's
PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief