Droogte tast archeologische schatten aan

Zeldzaam droog was de zomer van 2003. Alle zichtbare gevolgen daarvan zijn breed uitgemeten in de media. Maar onder het maaiveld speelde zich een klein drama af. De archeologische schatten in de Nederlandse bodem bleven eeuwenlang voortreffelijk bewaard dankzij een hoge grondwaterstand. Eén droge zomer deed het grondwater overal zo sterk dalen, dat historische resten bloot kwamen te staan aan zuurstof. Daardoor krimpt, schimmelt en rot het oude hout alsnog. Metaal begint te roesten en allerlei organische resten verdwijnen voorgoed. En als de droogte van dit jaar voortvloeit uit een veranderend klimaat, raakt ons ondergrondse geschiedenisboek aangetast.
Hoe dat gaat, blijkt in de Flevopolder bij Almere. Bodemchemicus Hans Huisman van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) laat drie plastic zakjes zien. In alledrie zitten resten van scheepsspijkers uit de zeventiende eeuw. Ze komen uit de kuil waar we boven staan, pal aan de snelweg tussen Utrecht en Almere. Een spijker is gebroken, maar juist daardoor kun je de kern goed zien: puntgaaf ijzer. Een beetje opschuren, en je slaat hem zo weer in een balk. Van de twee andere spijkers is niet veel meer over dan brosse brokjes roest, die in Huismans handen uit elkaar dreigen te vallen …
PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?