Geloof onder kerkgangers verdwijnt

Paul Visser Opinie
Paul Visser | beeld nd en ap / Markus Schreiber
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Als ik de balans opmaak van wat ik vlak om me heen en breder zie, dan is de conclusie even zorgwekkend als onontkoombaar: het geloof dreigt onder trouwe kerkgangers meer en meer te verkruimelen.

Je merkt het aan allerlei signalen: aan kerkgang zonder verlangen naar de ontmoeting met God, aan Bijbellezen zonder verwachting en verrassing, aan kwijnend gebedsleven. Eerlijk gezegd ontmoet ik te vaak mensen die het geloof beu zijn.

Een belangrijke oorzaak daarvoor is gelegen in het feit dat het geloof ongemerkt en sluipenderwijs tot ‘gemeengoed’ is geworden. Het is niet langer een gave van God, door twijfel, verwarring en aanvechting verworven.

het spande erom

Zelf sta ik in een traditie waarin God niet automatisch jouw God was en jij niet vanzelfsprekend zijn kind. God moest gezocht en gevonden worden. Sterker nog: het ging erom dat jij door Hem gezocht en gevonden werd. Je was niet bij voorbaat gered, je was van nature verloren. Intussen was je in de doop wel het beslissende toegezegd. Maar dat lag niet voor het oprapen. God is niets aan ons verplicht, maar wel alles verplicht aan zichzelf – en daarmee aan ons.

In die beloftevolle spanning kwam het aan op een diepe doorleving. Het spande erom om van Hemzelf te vernemen en er zo van overtuigd te raken, dat Hij jou genadig is. In die strijd tussen hoop en vrees kon het er heftig aan toe gaan. God kon nabij komen en eindeloos ver weg zijn. Je kon in de ban zijn van de twijfel aan zijn bestaan als je dagen en nachten niks van Hem vernam. En er kon een diep vertrouwen geboren worden als Hij van zich liet horen. Het was een strijd met God, óm God.

Het gevolg was een geloof dat was verankerd in de Levende zelf. Wars van alle zelfverzekerdheid en tegelijk zekerder dan wat ook maar. Het was het geloof dat door de diepten van ‘verliezen en verloren zijn’ was heen gegaan; het geloof als vrucht van bange worsteling en verrassend geschenk van God. Kostbaar, omdat het je niet was komen aanwaaien of was aangepraat. Weerbaar, omdat het door allerlei innerlijke vertwijfeling was heen gegaan, gehard en gestaald in het gevecht: ‘ik laat U niet gaan, tenzij U mij zegent’.

Ik weet helaas maar al te goed dat dit type existentiële strijd in de gereformeerde traditie tot veel vrome misstanden heeft geleid: geestelijk navelstaren, eindeloos wroeten in je ziel, levenslange heilsonzekerheid. Die uitwassen laten onverlet dat elke generatie op de een of andere manier door dit gevecht heen zal moeten, wil het daadwerkelijk en persoonlijk hoop krijgen op God, geworteld raken in Christus en gevoed worden door de Geest.

aangepraat

Zou het kunnen zijn dat een opgroeiende generatie van kinds af aan inmiddels te veel wordt aangepraat dat Jezus op voorhand je beste vriend is? De gevolgen daarvan zie ik om me heen: geloof als het sluitstuk van een redenering, zonder daadwerkelijke bekering, zonder ‘goede strijd’ om met God in het reine te komen. Een geloof ‘van horen zeggen’, zonder zelf zijn overtuigende stem te hebben vernomen. Een geloof dat je jezelf voor een appel en een ei hebt eigengemaakt.

Maar een geloof dat daarom ook voor de eerste de beste schotel linzen van de hand kan worden gedaan. Daarmee zijn we bij de kern. Een geloof dat niet op leven en dood is verworven, wordt niet als een kostbaar geschenk gekoesterd. Het is niet bestand tegen de kritische vragen van een wereld die het zonder God ook prima voor elkaar heeft. Het is evenmin opgewassen tegen de harde werkelijkheid van alledag, waarin je vaak bitter weinig van God gewaar wordt. De twijfel zit bij velen maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde. Geruisloos valt het geloof af, als een verdord blad van een boom. Geloof dat niet ontvonkt is aan de omgang met God, met alle verbijstering en verrukking vandien, wordt op den duur een saaie bedoening. Het wordt een riedel, die je steeds minder raakt en die je na verloop van tijd beu wordt. Bovendien – kijk om je heen! – zonder geloof kun je toch ook prima een goed mens zijn?

zonder veroordeling

Hoe moet je daar in prediking en pastoraat nu mee omgaan? Niet door een achterhaald motto opnieuw in te voeren, maar door het onzichtbaar aanwezige ongeloof, de onderhuidse twijfel en toenemende verveling openlijk te benoemen. En door tijdgenoten met aandacht en mededogen, zonder veroordeling, vanuit de Schriften nabij te komen. Laat juist de Schrift niet zien dat God niet ‘voor het oprapen’ ligt, dat geloven in de Onzienlijke geregeld een zware opgave is? Staat er niet geschreven dat je enthousiast kunt beginnen maar het beu kunt worden, dat geloven lang niet altijd goed voelt en het vaak een klus is om het vol te houden? Ik ben ervan overtuigd dat deze noties méér aanspreken, meer lucht en troost bieden, dan allerlei bemoedigende slogans waar we ‘de week weer mee in kunnen’. Preken die eenzijdig suggereren dat God altijd onder handbereik is en klaarstaat met genade en geborgenheid, gaan op den duur vervelen en irriteren.

pleisters plakken

Zulke preken hebben méér iets van pleisters plakken in de ruimte dan van wonden blootleggen en behandelen. Zouden mensen van vandaag niet enorm geholpen zijn met preken die niks verbloemen van onze innerlijke weerzin tegen wat God met ons voorheeft en van onze neiging ons zo makkelijk mogelijk van Hem af te maken. Preken ook die eerlijk erkennen dat je God eerder kwijt bent dan rijk, dat Hij geregeld niet te volgen is en dat wij meer dan eens nauwelijks iets van Hem gewaarworden. Preken ook die iets tonen van het gevecht met je eigen hart, dat minder meegaand is dan je zou wensen, van de twijfel en het ongeloof die je te pakken kunnen nemen, en van de worsteling met God, óm God, tegen alle vertwijfeling in. Zit achter het verlangen van velen naar ‘aansprekende’ preken geen honger naar woorden die vanuit de Schrift ingaan op de omgang met God, met alle verrassing en verbijstering, met alle verzoeking en vertwijfeling, met alle verzet en verlangen, met alle verlatenheid en geborgenheid vandien? Zou dat niet de remedie zijn om het aangeprate en opgeplakte geloof voorbij te komen en levend geloof gaande te maken en te voeden?

vonken en vlammen

Bij zo’n existentiële aanpak kan het in de preek opnieuw gaan vonken en vlammen. Omdat jongeren en volwassenen zich gezien en opgezocht weten in hun twijfels en vragen en vanuit de Schrift worden aangespoord – soms op leven en dood – opnieuw te roepen om God zelf. Zal de Levende niet uitgerekend daar van zich laten horen? Om ons door de Geest woorden in te fluisteren die je zelf niet meer bedenken kunt? En geloof te wekken dat, hoe fragiel ook, niet zomaar kapot te krijgen is? <

Indringend pleidooi

‘De twijfel zit bij veel gelovige tijdgenoten maar net onder de oppervlakte. En zodra ze de kop opsteekt, blijkt ze veel dieper geworteld dan men zelf vermoedde.’ Twee predikanten, Paul Visser (Amsterdam) en Kees van Ekris (Zeist), roepen op tot een grondige bezinning op de innerlijke secularisatie waaraan ze veel kerkgangers ten prooi zien vallen. Vaker dan hun lief is, ontmoeten ze in het pastoraat vermoeide zielen, die het geloof eigenlijk beu zijn. Dat plotselinge ‘leeglopen van het geloof’ gebeurt niet aan de rand, maar midden onder jarenlang toegewijde gelovigen. Een indringend pleidooi in twee afleveringen. Paul Visser begint met een bijdrage over hoe de geloofsstrijd is verdwenen. Zaterdag schrijft Kees van Ekris over de verveling die de ziel van de gelovige belaagt.

Bijlagen

Fotoserie, 2 foto's
PDF Print Stuur door

Elke dag onze nieuwsbrief?