Uitbannen religie is onfatsoenlijk

Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Religieus Nederland moet aan de slag. De strafbaarstelling van godslastering, de Zondagswet, de gewetensbezwaarde trouwambtenaar, het ‘Bij de Gratie G’ds’ in besluitvorming en wetgeving, ritueel slachten, het in vrijheid functioneren van bijzonder onderwijs – het zijn allemaal zaken die op het altaar van de secularisatie dreigen te worden opgeofferd. En dat is iets wat wij – het religieuze deel van de Nederlandse samenleving – ons zeker niet allemaal mogen laten welgevallen.

Voor ons parlement hebben velen ooit hun stem en hun vertrouwen gegeven aan een van de drie confessionele partijen. Maar de CU, de SGP en het CDA gaan het, gezien de zetelverdeling met de andere fracties, niet redden om het eeuwenoude erfgoed van religieus Nederland nog langer veilig te stellen. De vaart waarin al deze zaken dreigen te veranderen, opent onze ogen, waardoor wij zien dat het niet om een politiek debat moet gaan, maar – veel breder – een maatschappelijke strijd zal moeten worden.

onfatsoenlijk

Politiek gesproken gaat het niet slechts om een lastige polemiek; het heeft ook iets onfatsoenlijks. In plaats van een debat tussen verschillende geloofsrichtingen gaat het om een discussie tussen gelovigen en niet-gelovigen. Bij interreligieuze geschilpunten binnen onze Nederlandse samenleving weten leden van allerlei geloofsrichtingen allang hoe zij op een respectvolle manier moeten omgaan met het ‘ongelijk’ van de andere kant. Het woord ‘respect’ – voor de geloofsovertuiging van de ander – is bij iedere ontmoeting de kern waarom het draait. Op het Binnenhof, waar inmiddels onophoudelijk met de botte niet-religieuze bijl wordt gehakt, is door niet-kerkelijk Den Haag die kern afgeschaft. Een oud, oer-Hollands begrip is verdwenen. En dat begrip is eenvoudig eerbied voor een geloofsovertuiging van de medemens. Daarom noem ik het ook niet alleen een lastig debat. Ik schroom niet om voor dit parlementair handelen de term ‘onfatsoenlijk’ te gebruiken. En niet alleen onfatsoenlijk naar de burgers van nu. Maar ook onfatsoenlijk naar hun eigen opa’s en de oma’s voor wie de religieuze invulling van hun leven destijds nog dagelijkse kost was. Politici van vandaag schaffen religieuze elementen af waarvoor hun voorouders letterlijk gestreden hebben. De huidige generatie, die ervoor kiest om het Geloof der Vaderen achter zich te laten, mag geloven wat ze wil. Maar zij heeft nog niet het recht om wat heilig was voor hun ouders en grootouders, zomaar naar de prullenbak te verwijzen. En als zij denkt dat wel te mogen doen – die oma’s en opa’s zijn ‘niet meer van deze tijd, primitief en ouderwets’ – dan mogen wij best de vraag stellen hoe het zit met het beschavingsniveau van dit soort volksvertegenwoordigers in deze huidige tijd van doen.

zoekende jongeren

Naast ‘onfatsoenlijk’ naar de vorige generatie blijkt het daarbij ook nog eens ‘onverantwoordelijk’ te zijn naar de komende generatie. De uitvoerders van terreur en aanslagen en de onrust die deze veroorzaken, worden terecht gezocht bij jongeren die er abjecte religieuze ideeën op nahouden. En die ideeën komen voort uit persoonlijke, maatschappelijke en religieuze onzekerheden. Het verwijderen van gewone alledaagse sporen van geloofsovertuiging of van de verwijzing naar een G’ddelijke presentie, die in ons land hebben bijgedragen tot het ontstaan van een stabiele samenleving, brengt voor de religieuze, zoekende jongere alleen maar grotere onzekerheden teweeg. En deze onzekerheid doet hen dan weer op zoek gaan naar andere geloofswegen, waarvan we zien waartoe deze kunnen leiden.

Daarom draagt ook seculier Nederland de verantwoordelijkheid om ruimte te laten voor een beeld van fatsoenlijk religieus geloofsleven dat niet wordt afgedaan als ‘niet meer van deze tijd’ of als onzinnig. Die ruimte hoort er te zijn op straat, op school, op de werkvloer en ook binnen het bedrijf dat wij overheid en volksvertegenwoordiging noemen.

Over al deze dingen moet de maatschappelijke strijd gaan. Respect voor geloofsovertuiging en levensbeschouwing waren en zijn nog steeds het cement tussen al die elementen die wij samen een pluriforme samenleving noemen. Met de huidige afbraak van religie zien we met lede ogen dat onfatsoen en onverantwoordelijkheid zich gevestigd hebben in de kern van onze democratische rechtsstaat, het Binnenhof in Den Haag. Laat Den Haag het afweten, dan ligt hier de taak voor kerken, moskeeën en synagogen. Religieus praktiserende groeperingen zullen hierover eensgezind met de overheid in gesprek moeten gaan.

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief