*

Ik was meer geïnteresseerd in autootjes dan in poppen en was graag een jongen geweest
Column

Ik was meer geïnteresseerd in autootjes dan in poppen en was graag een jongen geweest

Als er in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw net zoveel aandacht zou zijn geweest voor homoseksualiteit als nu, dan zou ik nooit zijn geboren. Een van mijn ouders was homoseksueel en is naar de toen heersende gewoonte getrouwd. Dat werd geïntegreerd in het leven, goedschiks of kwaadschiks. En natuurlijk pakte dat niet altijd goed uit. Mijn ouders zijn op hun manier gelukkig geweest, maar het zou in deze tijd anders gegaan zijn. Dan was ik er alleen nooit geweest. In mijn jeugd kwamen er regelmatig homoseksuelen over de vloer, dat ervoer ik als normaal.

Onze buurman kwam af en toe als vrouw gekleed naar buiten, stapte in de auto en de volgende dag was hij weer de buurman, het hoorde erbij. Er werd wel even van opgekeken, maar hij werd er niet op aangekeken. Voor de goede orde: Ik woonde in Amsterdam, het waren de vrije jaren zeventig en met elkaar maakten we er wat van. Die tolerantie lijkt verdwenen.

Zelf was ik meer geïnteresseerd in autootjes dan in poppen, graag was ik een jongen geweest. Mijn ouders maakten van mijn voorkeur voor dit speelgoed geen probleem, een broek dragen werd gewoon en ik vond mijn weg. Zou ik me in deze tijd als adolescent hebben afgevraagd of ik in het verkeerde lichaam was geboren?

Tijdens mijn kloostertijd ervoer ik dat ook daar homoseksualiteit een rol speelde, niet actief, maar het was er wel. Een van de oudere zusters kwam daar oprecht voor uit, bij een ander was het er maar werd het niet benoemd. Nog steeds bestaat mijn familie- en vriendenkring uit mensen van diverse pluimage en dat voelt rijk en goed. We leven met elkaar en hebben respect voor ieders eigen-aardigheden.

Momenteel staat de lhbtiq-geaardheid van mensen sterk in de schijnwerpers. Eigenlijk vind ik dat jammer, want het maakt de diversiteit die onder het menselijk geslacht bestaat eerder tot een rariteit dan dat het een gegeven is waar we mee om kunnen gaan. Natuurlijk weet ik dat veel mensen die zich als ‘normaal’ (lees: heteroseksueel) beschouwen niets willen weten van in hun ogen niet normale mensen. Dat doet mij denken aan de posters uit de jaren zeventig in de vorm van een spiegel waarop de tekst stond: ‘Ooit wel eens een normaal mens ontmoet? En beviel het?’


beeld istock

In bijbelverhalen lezen we van mensen die ook niet normaal werden gevonden. Was Jezus zelf als ongetrouwde Jood met oprechte aandacht voor mannen én vrouwen niet ook een steen des aanstoots, zowel qua gedrag als in wat Hij zei? Men hoorde toen en nu niet graag: ‘Heb God lief en de naaste als uzelf’ of ‘heb uw vijanden lief’. Het begint bij onszelf door Jezus’ woorden ter harte te nemen en als normaal te beschouwen.

De Rooms-Katholieke Kerk erkent dat mensen verschillend geschapen zijn maar geeft alleen heteroseksuelen de mogelijkheid hun relatie sacramenteel te bekrachtigen, vooral op grond van de voortplantingsmogelijkheid. Dat vind ik persoonlijk een lastig standpunt dat om een goede dialoog vraagt in het huidige tijdsgewricht.

Het is een groot tekort van onze wereld dat omwille van geloof, ras, huidskleur, geaardheid of wat dan ook mensen gediscrimineerd worden en daarom begrijp ik de aandacht voor die groepen wel. Maar eerlijk gezegd vraag ik me af of die extreme aandacht niet tevens afbreuk doet aan de gelijkwaardigheid van alle mensen.

Kan het nieuwe normaal ook betekenen dat we elkaar allemaal normaal gaan vinden?

Katholiekinside

meer ‘Katholiekinside’

advertentie