Luister naar

‘Het begrip vergeving is me de keel gaan uithangen’

Nieuws
In de documentaire De hoofdvrouw probeert Marijke van der Meulen erachter te komen hoe haar moeder terechtkwam bij een sekte en uiteindelijk zo kon ontsporen dat ze heeft vastgezeten voor seksueel misbruik. ‘Mijn kinderen vragen: waarom zien we oma Aagje nooit?’
Maurice Hoogendoorn
vrijdag 23 februari 2018 om 03:00
Marijke van der Meulen is kinderarts, maar haar werk als kunstenaar – dat in de film ook is te zien – wordt voor haar steeds belangrijker.
Marijke van der Meulen is kinderarts, maar haar werk als kunstenaar – dat in de film ook is te zien – wordt voor haar steeds belangrijker. uit de besproken film

Sipke Vrieswijk, leider van de sekte Gemeente Gods, en zijn vriendin Aagje werden in december 1997 schuldig bevonden aan seksueel misbruik van minderjarige meisjes. Ze bekenden, maar berouw hadden ze niet, want ze hadden in opdracht van God gehandeld, meenden ze. ‘De meisjes hebben gejuicht, gedankt en God geloofd. En wij ook’, stelde Vrieswijk destijds in de rechtszaal.

De geschiedenis van de sekte begon in de jaren zeventig. Vrieswijk was lid van een Volle Evangelie Gemeente maar op een dag gebood God hem, zo zei hij, een klooster te kopen in Velddriel. Hij omringt zich met voornamelijk vrouwelijke aanhangers. Het isolement wordt groter en groter. Vele huwelijken gaan door Vrieswijk kapot. De mannen mogen financiële offers brengen. Vrieswijk wordt almaar autoritairder. ‘Wie zich niet volgens de regels gedroeg, moest uren in een kippenhok doorbrengen of een boete storten in de “klunzenpot”, tekende het Reformatorisch Dagblad in 1993 op uit de monden van ex-leden.

Nu, jaren later, doet Marijke van der Meulen (39), dochter van medesekteleider Aagje, haar verhaal in de documentaire De hoofdvrouw, die donderdagavond in première ging op het documentairefestival Docfeed in Eindhoven. Of beter gezegd: ze probeert er, in gesprekken met haar vader, zus en oud-sekteleden, achter te komen wat er in vredesnaam is gebeurd met haar moeder, toen zij zelf nog maar een klein kind was.

U kwam zelf met het idee voor deze documentaire. Waarom?

‘Ik wilde het verhaal vastleggen voor mezelf en voor mijn kinderen later. Zij vragen geregeld: waarom zien we oma Aagje nooit? We proberen hun vragen zo goed mogelijk te beantwoorden, maar er is zoveel impliciet, dat een film me het beste medium leek om dit verhaal te vertellen. Daarnaast wilde ik dit in de openbaarheid brengen en heb ik bewust het oog van de toeschouwer gezocht, ook als een soort toetsing. Want geregeld dacht ik: ben ik nou gek of zijn zij nou gek? In de film zit een scène waarin oud-sekteleden die eerst wilden meewerken me vertellen dat ze afhaken. Ik ken die mensen goed, dus het voelt vertrouwd als ik met hen praat, maar tegelijk zijn ze zo manipulatief. “Kom nou gewoon langs, dan hebben we het erover met een kopje koffie.”

Ik denk dat ik het grof geschut van een documentaire nodig had, anders had ik het misschien wel niet gered. Ik moest de verontwaardiging van het publiek zoeken.’

Hoe belandde uw moeder bij de sekte van Vrieswijk?

‘Mijn ouders hebben me altijd verteld dat ik een huilbaby was en dat zij op den duur radeloos waren. Mijn moeder had gehoord dat er in het klooster van Velddriel wonderen gebeurden en had mij daarnaartoe meegenomen. Prompt was ik stil. Zo begon het.’

Waren uw ouders gelovig voordat ze bij Vrieswijk kwamen?

‘Ja, ze hadden elkaar leren kennen bij een gereformeerd zeilkamp. Maar toen Velddriel in beeld kwam, gingen ze daar steeds vaker heen en verdween de kerk uit beeld. Mijn vader mocht op den duur niet meer komen; hij moest van Vrieswijk thuis blijven en op verdere instructies wachten. Dat deed hij. Mijn vader had in die periode kanker, maar wilde zich niet laten opereren zonder de toestemming van Vrieswijk. Hij dacht dat Vrieswijk hem kon genezen.’

Hebt u nog herinneringen aan uw moeder uit die eerste jaren van uw leven? Tekenen die erop wezen dat het misging?

‘Ik herinner me flarden. Er zat een keer tandpasta op een deur, en mijn moeder zei dat God haar had verteld dat ik dat had gedaan, terwijl ik zeker wist dat ik het niet had gedaan. Dat was voor mij heel verwarrend. Verder moesten er boeken weg en schilderijen van muren, en kwamen er kruisjes te hangen boven de deuren.’

Toen u acht jaar was, en uw zus tien, nam uw moeder jullie mee naar het klooster om daar te gaan wonen. Hoelang zijn jullie daar gebleven?

‘Ik weet het niet precies. Volgens mijn zus zijn we zo’n drie maanden in het klooster en bij sekteleden thuis geweest. Toen zijn we ontvoerd door oud-leden en mijn vader. Het lijkt in de film alsof hij ons eigenhandig kwam redden, maar zo was het niet. Volgens mijn zus moesten wij gillen. We waren ontzettend verward. Mijn vader en een paar andere mensen kwamen ons halen, terwijl wij van Vrieswijk hadden gehoord dat mijn vader een slechte man was.’

U vraagt zich in de film af hoe het zo heeft kunnen misgaan met uw moeder. Is een bevredigend antwoord denkbaar?

‘Nee. Ze was ook niet de enige. Er vielen veel meer mensen voor Vrieswijk en zijn gemeente. Het was denk ik in het begin een warm bad voor mijn moeder. Een hechte, warme groep. Ze kwam uit een gezin waar weinig liefde was, en ook in haar huwelijk met mijn vader was ze niet gelukkig. Maar dat is natuurlijk geen sluitende verklaring. Je kunt het ook heel plat uitleggen: zij was een mooie, jonge vrouw en Vrieswijk vond haar de leukste. Hij legde haar in de watten. God heeft jou voor mij voorbestemd, zei hij. En zij kon of wilde daar geen weerstand aan bieden.’

Wat gebeurde er nadat u uit het klooster was bevrijd?

‘Mijn vader was depressief en kon niet voor ons zorgen. Mijn zus en ik hebben drie jaar bij familieleden en in een kindertehuis gewoond. Toen ik weer thuiskwam, spraken we er nooit meer over.’

Was u een ongelukkig kind?

‘Gek genoeg niet. Uit rapporten van psychologen die me hebben getest, komt naar voren dat ik vrolijk en opgewekt was. Ik deed het goed op school en had vriendinnetjes. Waarschijnlijk was ik diep van binnen wel ongelukkig, maar dat komt nu pas een beetje naar boven.’

Uw moeder werd in 1997 gearresteerd. Kwam u dat meteen te weten?

‘Ik studeerde net in Rotterdam en woonde op kamers. Op een dag sloeg ik de krant open en schrok ik me een ongeluk. Ik belde mijn vader en vroeg hem of het klopte. Het was leuk geweest als hij het me zelf had verteld. Maar dat kon of wilde hij blijkbaar niet.’

Hebt u de afgelopen jaren met vrienden en familie over uw moeder gesproken?

‘Pas de laatste jaren met een paar vrienden. Daarvoor was de schaamte te groot. Het was alsof het verhaal van mijn moeder mijzelf ook bezoedelde. Ik zei tegen vrienden dat mijn ouders gescheiden waren en dat ik met mijn moeder geen contact meer had.’ Met een wrang lachje voegt ze eraan toe: ‘Maar dat dekte niet helemaal de lading.’

Uw moeder is nu weer vrij. Aan het einde van de film ontmoet u haar. Had u haar daarvoor vaker gezien?

‘Eén keer. Tien jaar geleden, op verzoek van de tbs-kliniek. De psychiaters dachten dat een ontmoeting haar zou helpen in de realiteit te komen. Het was afschuwelijk. Ik had bedongen dat er een tafel tussen ons zou staan, maar ze liep gewoon naar me toe en gaf me een knuffel. Ik bevroor en kon geen kant op.’

De ontmoeting in de film is ook geen succes. Uw moeder zegt in te zien dat ze verkeerde dingen heeft gedaan maar ook blij te zijn dat God haar alles heeft vergeven.

‘Het hele begrip vergeving is me de keel gaan uithangen. Het interview duurde meer dan twee uur en nooit heeft ze gevraagd hoe het met mij gaat. Tegen Hester, de documentairemaakster, heeft ze later gezegd dat het beter voor mij zou zijn als ik haar vergeef. Het woord vergeving kun je ook te makkelijk en te snel gebruiken. Je kunt erom vragen, maar om er zo mee te schermen dat God je heeft vergeven … dat voelde als een aanvalswapen. Haar daden hebben grote consequenties gehad. Kan ze die onder ogen zien? Daarover praat ze niet. Alleen over dat het goed zit met haar zielenheil.’

Leeft Vrieswijk nog?

‘Ja. Tenminste, volgens Hester leefde hij een paar maanden geleden nog. Hij is over de negentig en woont samen met een paar sekteleden. Ik heb hem niet opgezocht. Ik denk dat ik hem met een baksteen op zijn hoofd zou slaan.’

Hoe kijkt u door de geschiedenis van uw moeder tegen religie aan? Gelooft u zelf in een god?

‘Die vraag vind ik te privé. Ik heb in elk geval nooit de behoefte gevoeld om religie af te fakkelen. Dit is een exces. Dit kan gebeuren in elke groep waar scheve machtsverhoudingen zijn. Ik heb er wel moeite mee hoe snel gelovigen soms met de mantel der liefde komen aanzetten. Mensen die tegen me zeggen: je moet je moeder eren en vergeven. En mijn vader zegt: wie ben ik om te oordelen? Dat klinkt vroom, maar met zo’n instelling kun je heel veel toedekken. Dat doet geen recht aan de waarheid en de slachtoffers.’

Mail de redactie
Mail de redactie
Heeft u een tip over dit onderwerp, ziet u een spelfout of feitelijke onjuistheid? We stellen het zeer op prijs als u ons daarover een bericht stuurt.