Anja den Bok: de ontrouwe kloosterzuster

Geloof
beeld Jeroen Jumelet
Bekijk dit artikel in de Digitale Editie

Het levensverhaal van Anja den Bok (51) aan de hand van vijf waarnemingen, van haarzelf en anderen. Geslagen, geroepen, gegaan.

1. ‘Mooier dan de woorden ‘‘Ik houd van je’’, is de belofte ‘‘Ik blijf bij je’’.’

Ooit leerde een vriend van Anja den Bok haar de waarde van ‘Ik blijf bij je’ begrijpen. En telkens als ze die woorden hoort, als een fluistering van de wind, komen ze binnen. Want haar vader is níet bij haar gebleven. En zijzelf heeft de zusters Augustinessen na tien jaar kloosterleven in de steek gelaten. ‘Terwijl ik van ze hield, heb ik ze pijn gedaan.’

Ze groeide op in Limburg, waar de steenkolenmijnen zorgden voor werk en gemeenschapszin, een streek gehuld in het aanraakbare geloof van het rooms-katholicisme, waar de fanfare wordt opgetrommeld als kinderen door de straten op weg gaan naar hun eerste communie, naar kerkgebouwen waarin je met de bogen mee buigt voor een God die er als vanzelfsprekend is. ‘Gods bestaan beantwoordt aan de afhankelijkheid die je als kind hebt’, zegt ze.

Later, toen de mijnen sloten en gebruikelijke patronen grilliger vormen aannamen, vond haar vader meer in de padvinderij dan in de kerk. Hij wees haar hoe de natuur van God sprak. Anja zag het en liet zich meeslepen door zijn hang naar avontuur.

Aan dat goede leven kwam een einde toen ze op een avond bovenaan de trap als dertienjarig kind een gespannen gesprek tussen haar ouders opving. ‘Er is een ander, hè?’, vroeg haar moeder. Haar vader vertrok. Anja: ‘Alles wat waar was in mijn leven, werd een leugen.’

Ze was haar maatje kwijt en was ‘wel even boos’, ook op God: ‘Wat is dit voor een grap!’ Als oudste van drie zussen moest ze in de rechtbank kiezen bij wie de kinderen gingen wonen. Het werd moeder, hij was immers weggegaan.

Kort daarop kromde haar rug zich tot een beginnende scoliose, die haar nu als 51-jarige vrouw tot haar ergernis te vaak gevangen houdt op de bank – haar lichaam is snel op.

In diezelfde tijd stond de puberteit opdringerig voor de deur en ze richtte die geregeld als wapen op haar vader. Dan was ze onaardig of kwam ze niet opdagen als ze hadden afgesproken. Ze begon een briefwisseling met hem, want hij had haar dan wel in de steek gelaten, hij bleef haar zielsmaatje. Ze gooide zijn brieven na lezing weg en betreurt dat nu. ‘Misschien heeft hij de mijne wel bewaard, maar waar die nu zijn …’

Kort na een nukkig dagje uit, vader, drie dochters en zijn jonge vriendin, was Anja jarig. Ze werd vijftien. Haar vriendinnen organiseerden de avond ervoor een slaapfeestje en toen ze ’s morgen thuiskwam en de felicitaties in ontvangst nam, zei haar moeder: ‘Ik moet je iets vertellen. Pap is dood. Hij is onderweg hier naartoe verongelukt.’

2. ‘De stem van God is heel persoonlijk. Zo persoonlijk dat alleen jij Hem hoort.’

Ze stapte op de fiets en reed urenlang door de omgeving van Voerendaal, terwijl jammerklachten en verwijten een uitweg zochten – waarom God? ‘Voor het eerst sprak ik vanuit mijn hart tot God en nadat er niets meer te zeggen viel, trad een woordloze stilte in. Toen hoorde ik een stem: ‘‘Je bent niet alleen. Ik zal altijd je Vader zijn.’’ De stem van God is heel persoonlijk. Zo persoonlijk dat alleen jij hem hoort. Het was zo intens. Later in mijn leven was Hij er nog eens: ‘‘Ik zal bij je zijn.’’ Verder nooit, niet toen ik ziek werd, niet rond operaties, alleen die twee keer. Het was een diep besef, zo sterk, dat ik er niet omheen kon. De keuze om dat te verstaan als Gods stem en niet als een eigen fantasie maak je in het diepst van je hart. Ik kon niet anders dan erachteraan gaan en radicale beslissingen nemen.’

Kort daarna, op ‘roepingenzondag’ werd ze overweldigd door Jezus’ woord: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Non, dát wilde ze worden, het leek haar geweldig om haar leven ‘helemaal te wijden aan Jezus’. Thuis, waar al snel na de dood van haar vader een stiefvader zijn opwachting maakte, haalde haar moeder een streep door de plannen: ‘Voor je 21e mag je niet naar het klooster.’

Achteraf, als je haar ernaar vraagt, vindt Anja den Bok dat wijs van haar moeder. Een daad van liefde, misschien wel. ‘Maar nee, dat heb ik nog nooit tegen haar gezegd.’ Zo makkelijk praten die twee niet.

3. ‘Je hart volgen kan te makkelijk zijn. Je moet dieper doorgronden waar je staat.’

‘Een oom van mij werd aangesteld als voogd en ik dacht: laat mijn moeder niet doodgaan voordat ik achttien ben, want ik wil niet dat hij wat over mij te zeggen zou krijgen. In die periode schrok ik al als mijn moeder lag te slapen: ze is toch niet dood? Mijn vader was ik ook zomaar verloren.’

Ze werd au pair in Frankrijk, was als een moeder voor twee rijkeluiskindjes in Nice, liet zich ’s avonds fêteren door jongens in cocktailbars, maar werd dat holle leven spuugzat. Tot verdriet van haar moeder en tot ontzetting van familie en dorpelingen trad ze als 21-jarige in als postulant bij de Zusters Augustinessen. Ze diende, leerde en studeerde in kloosters in Frankrijk, Hilversum, Amsterdam en Utrecht. Ze werd oblaat, novice, lenigde de nood van verstoten moeders en daklozen, schrobde de gangen, zong zuivere noten in het koor en vond God in de Psalmen. ‘Die vormden me. Je kunt zes jaar lang iedere week een psalm bidden en dan, kloeng!, licht er een tekst op.’

Vanaf het allereerste begin kraste de twijfelkraai op haar schouder hinderlijke vragen in haar oor. Na zeven jaar legde ze de Eeuwige Gelofte af, plat voorover op de grond, en diep geroerd zong ze solo haar inwijdingslied.

Binnen twee jaar werd ze echter verliefd op Jan Willem, een theologiestudent die haar hielp in het kinderwerk in een achterstandsbuurt. Hij had, terwijl zij was ingepakt in haar habijt, haar eerst zijn liefde verklaard nadat ze hem door de zware deur aan de achterzijde van het klooster had binnengelaten. Ze lieten elkaar een jaar los. ‘Ik was wanhopig, ik had een gelofte gedaan. Tegelijk begreep ik wat ik al veel langer voelde: ik kan deze levensvorm niet volhouden.’ Genegenheid en het moederschap speelden een verlokkelijk spel. Maar het leven met God had zich toch ook verdiept in al die jaren? Het verwarde haar.

Er volgden maanden van zielsalleen overdenken, afstand nemen: ‘Moest, mocht ik uittreden? Luister eerlijk naar je hart, had Jan Willem gezegd, maar dat doordenken is heel moeilijk. De eerste tijd voelde ik me afgewezen in mijn nood: ‘‘Je hebt voor óns gekozen’’, zei de overste beslist. Ik bad veel en was erg verdrietig, want ik hield van de zusters. Als een mens gaat scheiden kan hij helemaal klaar zijn met de ander, maar zo voelde het voor mij niet. Wij houden ook van jou, zeiden ze, we willen niet dat je weggaat. Dat gaf me zo’n schuldgevoel. Later gingen ze meedenken en kon ik met een psychologe spreken.’

Ze volgde haar hart en ging. Toch is ze kritisch over al die gevoelswegen in mensenlevens die zich als hoofdrijbanen manifesteren. ‘Verliefd worden op een ander en dan de consequentie trekken en weggaan? Ik vind dat je jezelf dieper moet doorgronden, dat je moet werken om trouw te kunnen blijven. Het gemak waarmee mensen relaties aangaan, heeft bijna in zich dat het net zo makkelijk weer afgelopen kan zijn.’

Trouw is voor Anja den Bok een beladen woord. ‘God is trouw. Hij heeft mij nooit verlaten en ik Hem niet. Wel heb ik mensen pijn gedaan.’

Pas dit voorjaar, nadat ze een boek had geschreven over haar periode als non en haar uittreden twintig jaar geleden, heeft ze goede gesprekken gehad met de zusters van toen. ‘Daarvoor, jaren geleden, had mijn novicelerares mij kort voor ze stierf uitgenodigd. Ze erkende dat ze wel had geweten van mijn twijfel. Later vertelde een andere zuster dat ze me had zien worstelen, maar dat ze het toen zelf moeilijk had. Dat is het stomme in zo’n klooster, dat je zoiets niet uitspreekt tegenover elkaar.’

Door het schrijven van haar boek ontdekte Anja den Bok dat ze met haar uittreden veranderingen in gang heeft gezet. ‘Er zijn meer jongeren weggegaan. Er is een alternatieve gemeenschapsvorm gekomen, zonder Eeuwige Gelofte, met een andere vorm van bidden en Taizé-achtige vieringen. En toch zeg ik niet dat zo’n gelofte te hoog gegrepen is voor een mens. Heel veel zusters zitten daar echt op hun plek. En een gelofte maakt je vrij om al je liefde te geven aan God en de medemens. In het klooster vind je kracht, rust, verstilling. Je draagt elkaar, ook in discipline. Soms ga ik er nog een tijdje heen. Dan pak ik de draad zo op, het zit diep in mijn genen. Tegelijk lever je er een stuk van je persoonlijkheid in. En dat wil ik niet meer.’

4. ‘Ik sla wonden, Ik genees.’

‘Moet ik achteraf zeggen dat God mij niet heeft geroepen tot zo’n radicale keuze als het klooster? Ik weet het niet. Soms heb ik last van een schuldgevoel diep vanbinnen dat niet weggaat. Ik ben heel streng voor mezelf en dan is jezelf diep vergeven erg moeilijk.’

In de hoek van de woonkamer in hun huis in Leusden, waar ze samen met Jan Willem (ja, ze is met hem getrouwd!) en twee dochters woont, staat een beeltenis van de lijdende Christus. ‘Jezus heeft veel voor mij gedaan. Daarom durf ik elke dag te beginnen met vergeving en barmhartigheid voor mezelf. Tijdens mijn strijd voor mijn uittreden uit het klooster viel mijn oog op Deuteronomium 32: ‘‘... Ik sla wonden en Ik genees.’’ Dat vond ik troostend, want vergeving is ook genezing. Voor jezelf, en onderling tussen mensen. Als ik me zo openstel voor God, kan ik spontaner geven. Dan wordt het niet zo’n zuchten en moeten.’

Laatst was ze uitgenodigd bij een boekenleesclub. Enkele vrouwen daar hadden afgerekend met het geloof van vroeger, maar wisten in de leegte die er uiteindelijk op volgde niet meer waar ze het zoeken moesten. ‘Een vrouw van 53 zei: ‘‘Ik ben zo lang bij God weg geweest, ik kan het nu niet meer maken terug te keren.’’ Mijn mond viel open van verbazing en ik sprak haar tegen. Want God is er altijd, dat is de leidraad van mijn leven. Al nemen wij mensen afstand, de stap om terug te gaan is niet zo groot, Hij is er gewoon.’

Aan Jezus spiegelt ze zich. Hij laat me concreet zien hoe ik het moet doen, naaste zijn voor de eenzame, de zieke, de dakloze. Ik zie het als een opdracht om naar Hem toe te groeien en op Hem te lijken.’

5. ‘Het is wat het is, zegt de liefde.’

Nadat ze waren getrouwd, werden Jan Willem en Anja onder meer ‘studentenouders’ in een christelijk studentenhuis in Utrecht. Ze ging de verpleging in, werd met de jaren steeds meer beperkt door haar vergroeiing en onderging operaties. ‘Telkens is er een nieuwe spiergroep die het niet kan trekken. De pijn wandelt door mijn rug.’ Sinds een jaar heeft ze een botziekte erbij. Haar eerste zwangerschap, ruim vijftien jaar geleden was zwaar. Ze gaf veel over, werd opgenomen en was aan het einde van de zwangerschap 12 kilo lichter dan aan het begin. ‘Dat heb ik nooit meer helemaal kunnen inhalen.’

Twee jaar geleden kwam ze thuis te zitten, afgekeurd. Er voor de ander zijn, geeft ze nu vooral handen en voeten in de kerk, het kinderwerk, bij vrienden en straks misschien als spreker.

‘In mijn hoofd zit een heleboel dat ik wil en zou kunnen doen voor mensen. Mijn lichaam beperkt me. Waarom is dat? Ik en tallozen met mij hebben een aantal jaren geleden intensief gebeden om genezing. Het gebeurde niet. Sommigen menen nog dat we dan niet hard genoeg gebeden hebben. Ik heb mijn conclusie getrokken: ik leg het bij God neer en berust. Mijn vragen heb ik losgelaten, dat geeft me voor het moment rust. Naarmate je ouder wordt, weet je eigenlijk steeds minder. Het geloof gaat niet weg, de basis blijft, maar het mysterie wordt steeds groter, dieper.’

Ze kan jaloers zijn ‘op vrouwen die alles kunnen’. Ze kan niemand van haar leeftijd vinden die hetzelfde heeft, met wie ze ervaringen kan delen. Tegenover mensen om haar heen verzwijgt ze veel. ‘Op een gegeven moment is er een verzadigingspunt. Ze kunnen er niets mee. Ten diepste ben je als mens alleen. De enige naar wie ik dan toe kan met gevoelens van eenzaamheid en verdriet, is Christus. Hij geeft moed om elke dag opnieuw te beginnen. Dankbaarheid is een belangrijke sleutel in mijn leven. Vandaag heb ik al een paar mooie ontmoetingen gehad, een goed gesprek met mijn dochter, die gelukkig en tevreden is, en ik heb bloemen zien opengaan. Gebrokenheid is minder scherp als je op zoek gaat naar het goede. Dat geldt zelfs in relatie tot andere mensen, die misschien niet altijd leuk zijn.’

Sinds ze niet meer kon schrijven met haar vader, vanaf de dag dat hij met zijn auto van het talud gleed, is ze gedichten gaan maken. Maar het is een gedicht van Erich Fried, vertaald door Remco Campert, dat ze inzet ‘als truc’ om moed te vatten. Een frase:

Het is ongeluk / zegt de berekening / Het is niets dan pijn / zegt de angst / Het is uitzichtloosheid / zegt het inzicht / Het is wat het is / zegt de liefde

‘Echte rust ervaar je pas als je onrust hebt gekend. Ik denk weleens dat God onrust in mijn leven heeft gebracht om mij steeds weer in zijn armen te drijven. Dat geldt weer nu ik de afgelopen jaren lichamelijk achteruit ben gegaan door mijn ziekte. Doordat ik me minder verlies in allerlei dingen doen zonder balans, komt er ruimte voor verdieping, voor stil zijn en vertoeven bij God, die liefde is. Het is wat het is.’ ◆

van non naar moeder

Anja Mulders (51) groeide op in een rooms-katholiek milieu in Zuid-Limburg.

Toen ze dertien jaar was, gingen haar ouders scheiden.

Vanaf haar 21e maakte ze tien jaar deel uit van de kloostergemeenschap Zusters Augustinessen.

Ze is getrouwd met Jan Willem den Bok en samen kregen ze twee dochters.

Ze wonen in Leusden en zijn lid van de Kerk van de Nazarener.

Ze schreef over haar leven het boek Driemaal bruid, van non naar moeder (uitg. Caperman, Leusden).

PDF Print Stuur door

Dagelijkse nieuwsbrief