Sluiten

Nederlands Dagblad

Dossier: Schriftgezag - Geschiedenis

De sprekende slang in Genesis 3 was volgens 'Assen 1926' een gewoon historisch feit. Maar de kwestie is omgeven met beeld- en mythevorming.

De vraag naar een nieuwe bezinning op het gezag van de Bijbel zit in de lucht. Elke maand is er wel iets over in deze krant te lezen. Maar die Bijbel is al eeuwen oud. Zouden discussies over het gezag van de Schrift dat dan ook niet zijn? Wat betekent dat eigenlijk? Hebben we daar wat aan?

Een kwart van de rooms-katholieken in Nederland leest wel eens in de Bijbel, tegen zeven op de tien hervormden en 86 procent van de gereformeerden. Aldus een onderzoek naar 'bijbelbezit en bijbelgebruik' uit 1996 door het Nederlands Bijbelgenootschap en de NCRV.

In de zomer van 1925 is het brave plaatsje Dayton, Tennessee, wereldnieuws. Journalisten zijn toegestroomd voor een confrontatie in de rechtszaal tussen fundamentalisme en moderne wetenschap. Het proefproces zal de geschiedenis ingaan als het Monkey Trial (proces van de aap).

De kerk van de twintigste eeuw heeft aan dreigende beeldspraak geen gebrek. Ze zit danig in haar maag met de Schriftkritiek. De oude muur die eeuwenlang de christelijke vesting omsloten en beschut heeft, ,,is thans geheel gesloopt geworden''. De gereformeerde theoloog A.D.R. Polman schetst halverwege de eeuw met dit citaat de strijd onder de protestanten om de Schrift. ,,Eerst vielen enkele steenen uit, daarna gansche brokstukken, tenslotte was er geen restauratie meer mogelijk, zoodat men zuchtend of vroolijk de oude muur met de grond heeft gelijk gemaakt.''

In de negentiende eeuw krijgt het modernisme in de breedte vat op de (Hervormde) Kerk. Alles gaat op de helling. Wat in de Bijbel met het verstand niet te volgen is, kan niet waar zijn. Schepping, opstanding, wonderen - het 'moderne' denken schrapt en snijdt en reduceert, tot er een wereldbeeld overblijft waarin alles 'klopt'.

Met de Reformatie waren kerk en geloof aangeland in de moderne tijd. Na de duistere Middeleeuwen kwam het tijdperk van de vooruitgang. Tenminste, zo dacht men. En inderdaad veranderde er in de zeventiende en achttiende eeuw ontstellend veel: niet alleen op staatkundig, economisch en wetenschappelijk terrein, maar ook op de gebieden van godsdienst en geloof.

De dagelijkse greep naar de bijbel, na de maaltijd, in bed of elders is tegenwoordig zo volstrekt normaal - een gebaar dat simpelweg z'n plaats heeft in het leven van alle dag. Gek om dan te bedenken dat talloze gelovigen zijn geweest (en nog zijn) die nooit een bijbel hebben ingekeken. Omdat ze niet konden lezen. Of omdat boeken nu eenmaal schaars en duur zijn.

Het christelijk geloof is maar een onbeduidend nieuwkomertje, vonden heidense filosofen in de tweede eeuw na Christus. Een religie 'van gisteren', gefundeerd niet in eeuwenoude, tijdloze waarheden, maar in leven en werken van een man die net kwam kijken - iemand uit de provincie bovendien, uit Judea, zo'n achtergebleven uithoek van het Romeinse rijk. Nee, dan onze religieuze gebruiken en onze filosofie - ,,een aloude leer die er van den beginne is geweest, en die door de meest wijze naties en steden en wijze mannen altijd is onderhouden'', schreef de Romeinse schrijver Celsus.