Sluiten

Nederlands Dagblad

Dossier: Aan de ketting 2009 - Reisverslagen

De trein naar het zuiden zit vol. Het is nog vroeg, maar iedereen is goed wakker. Ik zit nog maar net op m'n plaats, als de man aan de overkant van het gangpad z'n T-shirt omhoogtrekt en een injectienaald in z'n buik steekt.

Wat had ik daar een verhaal kunnen halen! Ik realiseer het me met spijt, terwijl de oude boer mij van het erf verdrijft. Het zaad van zijn eenvoudige verwijt, ontkiemt in mij tot zelfkritiek.

,,Ben jij nog ergens familie van dé Van Rossum?'' Het is een vraag die vrij regelmatig aan mij wordt gesteld.

Een goede voorbereiding is het halve werk. Op zondagavond lag alles al netjes klaar: een korte broek, een gevuld broodtrommeltje, de twitterinstructie en een paspoort.

Het KNMI voorspelt onweersbuien en rukwinden voor vrijdagmiddag, een goede reden om 's ochtends zo vroeg mogelijk van start te gaan waar collega Piet de Jong een dag eerder geëindigd is: bij NS-station Delft-Zuid.

Strak om tien uur neem ik de fiets over van Sophia. Op aanwijzing van de cijfers van de groene knooppunten-fietsroutes ben ik binnen de kortste keren de bebouwing uit.

Mijn persoonlijke ploegbaas zet het zadel van mijn fiets goed en de kilometerteller op nul. Hij is er klaar voor, nu ik nog.

Er staat een man op de Kamperzeedijk. Bos bloemen in de hand. Fiets op de standaard. Hij gooit de bloemen in de berm. Hier zal het gebeurd zijn, denk ik. Zijn vrouw, kind of een vriend? Ik weet het niet. Ik besluit hem alleen te laten met zijn verdriet. Er komt nog ellende genoeg vandaag.

Langs het IJsselmeer in Friesland draait het in de zomer maar om een ding: vakantie. Het wemelt er dan ook van de campings, souvenirwinkeltjes en vakantiegangers op crocs, teenslippers of gympies.

Wat de familie Schraag op Texel ook verwacht had, het beklemde type dat vrijdag langskwam, viel daar vast buiten. Op de veerboot van Den Helder naar Texel verdween op onverklaarbare wijze de ND-camera, toen ik het dek opging om het verkoolde VOC-schip te zien liggen.

Het was rustig begonnen vanmorgen. De trein naar Amsterdam bood geen bijzondere vergezichten of close-ups. Binnen sliep men massaal de vorige avond uit en buiten hadden de A1 en het Naardermeer ook al geen uitzonderlijkheden te melden.

Toegegeven, het is geen onderwerp waar de commentator van deze krant vaak zijn hoofd over breekt, om niet te zeggen nooit. Maar zo midden zomer moet het een keer kunnen: aandacht geven aan het kleine leed dat de Ajax-supporter afgelopen jaren trof.

Een groot deel van de provincie Utrecht is een no-goarea. Dat heb je normaal gesproken als gewone hardwerkende en hardfietsende Nederlander nauwelijks in de gaten. Maar als je erdoorheen komt, dan merk je het.

Tsja, waar zal ik eens mee beginnen om te verhalen van onze belevenissen tijdens de fietstocht van Deventer naar Ede... Gewoon maar van vooraf aan.

Als ik de Overijsselse hoofdstad uit fiets, ontvouwt zich al snel het weidse rivierlandschap van de IJssel. Aan de overkant ligt Hattem, met daarboven een echte Voermanlucht. Alleen, déze lucht wordt steeds donkerder.

Midden in de maisdoolhof in de buurt van Ommen gebeurt wat zich al aftekende in de grauwgrijze wolken in de lucht: opeens regent het. Niet een buitje, zoals de afgelopen dagen, maar gestaag, een paar uur lang. Geen weer om verder te fietsen met mijn dochter, Naomi van tien jaar oud.

Ik roep 'volluk'. Geen reactie. Naar binnen lopend, nog harder: volluk! Dan maar weer een deur openen, in dit grote huis waarin de tijd heeft stil gestaan. Opnieuw: volluk! De bewoner laat zich niet zien.

De hervormde pastorie van Alteveer. De plaatselijke predikant leest ter afsluiting van de lunch twee pelgrimspsalmen voordat de fietstocht wordt vervolgd: 120 en 121, vanuit het vreemde Mesek naar Jeruzalem.

Om vijf uur gaat 'onze wekker' in de prachtige pipowagen op camping Lentemaheerd in Uithuizermeeden, vlak bij Roodeschool. Mijn vader (Jaco Klamer) en ik (11 jaar) krijgen om half zeven een vorstelijk ontbijt aangeboden. De fiets staat nog op de plek waar Hilbert 'm heeft achtergelaten, bij station Roodeschool.

De wereld achter Westernieland komt maar langzaam tot stilstand. Na de eerste dijk boven het Groninger dorp is het wat mij betreft wel mooi geweest met Nederland, maar daarachter gaan de eeuwige aardappelvelden van het Hogeland gewoon weer door.