Dossier
Het Oude Testament voor de kerk gered
Dit artikel komt voor in dossier: Schriftgezag
Geplaatst: 19 juni 2002 00:00, laatste wijziging: 03 oktober 2008 17:00
door onze redacteur Wim Houtman
Het christelijk geloof is maar een onbeduidend nieuwkomertje, vonden heidense filosofen in de tweede eeuw na Christus. Een religie 'van gisteren', gefundeerd niet in eeuwenoude, tijdloze waarheden, maar in leven en werken van een man die net kwam kijken - iemand uit de provincie bovendien, uit Judea, zo'n achtergebleven uithoek van het Romeinse rijk. Nee, dan onze religieuze gebruiken en onze filosofie - ,,een aloude leer die er van den beginne is geweest, en die door de meest wijze naties en steden en wijze mannen altijd is onderhouden'', schreef de Romeinse schrijver Celsus.
En dus getroostten vroege christelijke theologen zich veel moeite om de oude papieren van hun geloof aan te tonen - met evenveel verve als christenen vandaag willen laten zien dat hun geloof best wel gaaf en eigentijds en helemaal niet ouderwets of achterlijk is. De komst van Christus, zijn leringen en zijn daden, waren tot in detail voorzegd door Mozes en de profeten, en die waren er vr alle Griekse oude schrijvers. Sterker nog, reeds bij de schepping was Christus actief.
Het is onder meer tegen dit accent op de ene 'doorgaande lijn' vanaf de grondlegging van de wereld, dat omstreeks het jaar 135 een lid van de gemeente in Rome in opstand komt. Is er met de komst van Christus dan niet een radicaal nieuw tijdperk aangebroken? Achter zijn woorden brandt een grote hartstocht voor het evangelie, Gods reddingsplan voor mensen. Het brengt deze Marcion, een welgestelde reder, ertoe bij de komst van Christus radicaal een streep te trekken. Als Christus - een en al liefde en goedheid - ons de Vader laat zien, dan moet dat een andere God zijn dan de oordelende, oorlogszuchtige Schepper-God van het Oude Testament. Je kunt onze lieve Zaligmaker toch ook niet verbinden met de hardheid en de vuiligheid van de schepping, met alle ongedierte, de hele stofwisselingskringloop, vergankelijkheid en bederf?
Marcion erkent het gezag van de wet en de profeten niet langer. Van daaruit gaat hij ook strepen in de overgeleverde evangelin en apostolische brieven. Het conflict tussen Petrus en Paulus (Galaten 2, 11-15) is een van zijn favoriete schriftgedeelten, zoals Paulus daar met de oudtestamentische wetten afrekent. Marcion houdt alleen een gekuist Lucas-evangelie en twee handenvol brieven van Paulus over. De andere apostelen hebben de boodschap van Jezus verdraaid.
Marcion wordt in het jaar 144 in Rome uit de gemeente gezet en sticht zijn eigen kerk, die enkele eeuwen later weer is verdwenen als een voetnoot in de kerkgeschiedenis.
TraditieZo werd de vroege kerk geprangd door cruciale vragen. De stelling is wel verdedigd, dat alles waar het in de theologie om draait, in die eerste eeuwen al is beslist; alles wat daarna nog is gekomen, was afgeleide en uitwerking. Het nieuwe geloof was gebaseerd op 'de Schriften'. Wat hoort daar wel en niet bij? De Schriften getuigen van Jezus. Wie is Hij? God n mens tegelijk? Hoe gaan die twee naturen samen? Jezus is Zoon van God. Hoe verhouden Vader, Zoon en Geest zich tot elkaar?
Je proeft hoe dichtbij de tijd van het Nieuwe Testament nog is, in de manier waarop de vroege kerk met deze vragen omgaat. Marcion was al geboren toen Johannes de Openbaring ontving. Beslissend is steeds of een lering in overeenstemming is met het onderwijs van de apostelen, met de 'apostolische traditie' - en dat in een tijd dat er nog geen verschil is tussen Bijbel en traditie. De traditie is de overlevering van de Schriften. ,,Het gezag van de Bijbel, zowel van Wet en Profeten, als van Evangelie en Epistel, is praktisch en concreet. De kerk heeft de Schrift nodig, omdat deze het getuigenis doorgeeft van Gods heilsdaden in Isral en in de Messias Jezus'' (het hervormde synoderapport Klare wijn, 1966). De kerk gaat in het voetspoor van de apostelen; de herinnering aan die mannen, die zelf nog met de Heer het brood hebben gebroken, is nog levend.
Ook de gnostici - met hun evangelie van eenwording met de God in ieder van ons - beriepen zich op de leer van de apostelen; die zou bij hen juist op verborgen wijze het zuiverste zijn overgeleverd. Daar tegenover stelde de kerk juist de openbaarheid. Geen interne discussies onder theologen om de gelovigen niet in verwarring te brengen; het gaat om het geloof dat zondag aan zondag in alle openheid wordt verkondigd, in gemeenten die nog door de apostelen zijn gesticht, door bisschoppen die nog door hen zijn benoemd.
Marcion kon zich niet op de apostelen beroepen. Hij was een nieuwlichter. De kerk wees wat hij leerde, met grote beslistheid af. De echo daarvan klinkt door in de apostolische geloofsbelijdenis, die God nadrukkelijk Schepper van hemel en aarde noemt, die belijdt dat Jezus Christus uit een vrouw geboren is, en dat Hij ook de Rechter is die eens het laatste oordeel vellen zal.
Maar de afwijzing van zijn leer heeft ook een neveneffect. Om het Oude Testament uit handen van Marcion te redden, wordt het verregaand vergeestelijkt. De geschiedenissen mogen niet op eigen benen staan. Het worden illustraties bij een nieuwtestamentische boodschap. De vraag hoe 'letterlijk' we bijbelgedeelten vandaag moeten nemen, zal in de kerkgeschiedenis blijven opspelen.
WonderenChristelijke apologeten (geloofsverdedigers) confronteerden zich ook met de heidense leef- en denkwereld om hen heen. Ze disputeerden over de schepping, de opstanding, de onsterfelijkheid van de ziel en over de vraag of de wonderen van Jezus echt waren gebeurd. In dat laatste geloofde de heiden Celsus niet: God zet zijn eigen natuurwetten toch niet op hun kop? Als Hij dat doet, is het niet tegen de natuur, reageerde de christen Origenes, die overigens ook betoogde dat het bij de wonderen niet ging om het gebeurde, maar om mystieke, spirituele waarheden.
Maar dit waren schermutselingen 'onder professoren' als het ware; het ging over de hoofden van gewone gelovigen heen. Zij hadden thuis geen bijbel, die ze uitvoerig konden napluizen. Zij hoorden het Woord wanneer het werd voorgelezen in de eredienst. Ze leefden bij een apostolische geloofsbelijdenis die op allerlei plaatsen en momenten weer andere vormen had, maar steeds volgens dit grondpatroon: Vader, Zoon en Heilige Geest en leven, sterven en opstanding van Jezus Christus.
Daar bovenuit had de vroege kerk geen vastgelegde formulieren van eenheid. De vroege kerk, schrijft de Amerikaanse theoloog Jaroslav Pelikan, werd vooral gekarakteriseerd door ,,een eenheid van leven, van geloof in het Oude Testament, van vroomheid en van trouw aan haar Heer, zoals het Oude en het Nieuwe Testament van Hem getuigden. Ketterij was een afwijking van die eenheid; en naarmate de eenheid werd overgezet vanuit de taal van getuigenis in verkondiging in die van credo en dogma, werd ketterij gezien als een afdwaling van 'het voorbeeld van de gezonde woorden die gij gehoord hebt'.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.




RSS