Sluiten

ND.nl maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.

Nederlands Dagblad

Ervaringsvermogen is ontoereikend

In mijn studeerkamer heb ik een stoel gezet: een Hollandse, deels gesneden beukenhouten armfauteuil uit de negentiende eeuw met een eigenlijk vreselijke petit-point-bekleding. Een paar jaar geleden stond er een ander stoeltje, voor onze Isabel. Als kleutertje zat zij daarin te lezen, blaadjes te vouwen of te kleuren.

Dat was een feest om te zien: zo’n mooi klein meisje die met haar voetjes in de lucht in boekjes en al prutsend de wereld ontdekte in haar roze pyama met ‘my little pony’ erop. In die andere stoel zit mijn moeder nu veel. Zij heeft op een dergelijke stoel vroeger rechtop leren zitten, zoals nu blijkt. Iedere keer als zij komt, doet zij voor hoe ze dan moest gaan zitten. Dat werkt heel vervreemdend: een vrouw van tachtig die gaat zitten als een op te voeden kind.

Ook mijn moeder kan nu uren in boeken bladeren en er ezelsoren in vouwen: vol aandacht en af en toe diep zuchtend. Van die ezelsoren zeg ik niets, omdat zij dan denkt dat zij iets niet goed doet. Ik heb geleerd haar niet meer tegen te spreken als haar verhalen niet kloppen of als zij mij bij vlaagjes voor mijn overleden oom houdt. Mijn moeder is namelijk al een eindje gevorderd op de weg die de Duitse psychiater dr. Aloysius Alzheimer in kaart heeft gebracht.

reflexen

Zij is altijd bang geweest deze weg te moeten gaan. Maar zij is er nu al zover op gevorderd dat zij wel weet dat er iets met haar aan de hand is, maar niet precies wat. Zo zegt ze het: soms berustend en soms zo hulpeloos kijkend als zij in die merkwaardige stoel zit. Dat is soms hartverscheurend: mijn moeder, het meest intelligente lid van onze familie, wier geestelijke vermogens steeds meer aflaten. Maar, hoe paradoxaal of merkwaardig ook, het is soms ook heel ontroerend en mooi om haar in die stoel dingen te zien doen die onze Isabel een paar jaar geleden ongeveer ook zo deed. Urenlang. Ik kijk veel naar haar, maar werk ook gewoon door, bijvoorbeeld aan deze column.

Haar observerend schieten mij de gebruikelijke vragen natuurlijk te binnen: hebben de geleerden gelijk die zeggen dat de ziel ‘slechts’ een combinatie van karakter en zelfbewustzijn is, die in ons brein huist? Is ieder mens ‘slechts’ uniek omdat niemand dezelfde hersenen of hersenstam heeft? Zou het dan toch zo zijn dat als mijn moeder sterft, haar hersenen ophouden met functioneren en al haar aangeboren en aangeleerde reflexen verdwijnen? En verdwijnt daarmee dan datgene wat wij de ‘ziel’ noemen? En loopt het, zoals Harry Mulisch zei, dus ‘altijd slecht af’? Ik moet er niet aan denken.

ervaringsvermogen

Natuurlijk hoop ik dat mijn moeder bij God zal zijn, die haar eeuwig verlicht. Maar dat kan ik met goed fatsoen in bepaalde kringen niet publiekelijk beweren. Dit hoopgevende beeld getuigt immers van projectie. De diagnose van de hersenen leert nu juist dat mijn hemels visioen, door Schrift geschraagd, nu juist naar het rijk van de mythologie en folklore moet worden verwezen.

Aan de andere kant zijn er de intuïties van grote geesten, die voor het tijdperk dat slechts meten weten werd geacht, geniale intuïties ontwikkelden. In bijna alle boeken van De Trinitate (Over de Drie-eenheid) blijft Augustinus herhalen dat de rationele en de intellectuele natuur van de menselijke geest te zeer overtroffen worden door de ongeschapen natuur, die alles geschapen heeft. In dit bestek bestempelt hij het ervaringsvermogen als ontoereikend. Zo houdt hij de deur open voor een geloof in God of in een dimensie buiten tijd en ruimte.

berusting

Aan het einde van zijn leven onderscheidt hij in het twaalfde en dertiende boek van De Trinitate in de geestelijke dimensie van de mens twee soorten rede (ratio). In de hoogste rede is de mens naar het beeld van God geschapen (Genesis 1:26). Dit is het onzichtbare deel van de geest, waarin de mens zichzelf een vraag blijft omdat het mysterie van God erin is weerspiegeld. Deze mysterieuze hoogste rede kan niet worden beschadigd, omdat het niet aan veranderlijke zaken onderhevig is.

De lagere rede is veranderlijk en dient gericht te zijn op kwaliteiten die God worden toegekend (vrijheid, gerechtigheid). Doet zij dat niet, dan gaat de band met de hoogste ratio teloor. In De Trinitate stelt Augustinus dat de mens het imago (beeld) van God in zichzelf nooit kan verliezen. Wat er ook gebeurt door ziekte of zonde. Op een of andere manier is het toch vanuit die onverklaarbare hoop, dat ik mijn moeder nu niet alleen in verdriet, maar ook in een soort vertrouwende berusting gadesla in de stoel van haar jeugd.

Prof. dr. Paul van Geest is hoogleraar kerkgeschiedenis en geschiedenis van de theologie aan de Universiteit van Tilburg en bijzonder hoogleraar Augustijnse Studies aan de VU. Hij schrijft maandelijks op deze plaats een column.

  • 13-11-2012 - 9.10
  • 13-11-2012 - 9.14

waardeer:

  • Waardeer dit artikel met 1 ster
  • Waardeer dit artikel met 2 sterren
  • Waardeer dit artikel met 3 sterren
  • Waardeer dit artikel met 4 sterren
  • Waardeer dit artikel met 5 sterren


Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen.

Reacties (0)