‘Hoe jammer! ’t Was toch zoo mooi, ’t was toch nog veel mooier dan al de vleermuizen en de spinnen en de vogels en de ratten, zoo’n jongen aan een gootpijp met zulke sterke, bloote beenen…Nu was hij er niet meer. En ’t was opeens stil geworden, ook op ’t verborgen plekje.’
Misschien gaat er een lampje branden: bovenstaande komt uit Peerke en z’n kameraden van W.G. van de Hulst. Zijn lievelingsverhaal, dat in 1919 verscheen. Met zijn grootvader, een ...