Sluiten

Als u doorsurft op deze website, gaat u akkoord met de plaatsing van cookies. Voor meer informatie, klik hier. [sluiten]

Nederlands Dagblad

De ChristenUnie en Jeruzalem

Dit artikel komt voor in dossier: ChristenUnie

In het laatste verkiezingsprogramma van de ChristenUnie staat: ‘De Nederlandse ambassade wordt gevestigd in Jeruzalem, de ongedeelde hoofdstad van de staat Israël.’ Tegen deze zin heb ik ernstig bezwaar. Ik vind dat zij niet behoort voor te komen in documenten van een christelijke politieke partij. De ChristenUnie zou haar moeten schrappen.

Een zinsnede van deze strekking zwerft al sinds de oprichting rond in documenten van de partij. Zij maakt deel uit van een compromis tussen de visies van de moederpartijen RPF en GPV. De RPF stond op religieuze gronden achter de staat Israël en vond vanuit Bijbelse argumenten dat Jeruzalem in haar geheel toekomt aan de Joden. Binnen het GPV leidden vooral politieke overwegingen tot steun voor de staat Israël. Voor een eventueel standpunt over de status van Jeruzalem hanteerde deze partij juist geen Bijbelse onderbouwing.

In de eerste jaren na de fusie van beide tot ChristenUnie was de nieuwe verbintenis te pril om die te belasten met een discussie over dit compromis. Later vroeg de regeringsverantwoordelijkheid die men droeg om stabiliteit in de partij. Ook in de aanloop naar verkiezingen leek een discussie over dit onderwerp niet wijs. Maar inmiddels is de partij volwassen geworden en in balans, men heeft politiek de handen vrij en verkiezingen lijken voorlopig ver weg. Het wordt tijd om het debat over Jeruzalem maar eens aan te gaan. De jongste stappen in Israëls nederzettingenpolitiek maken de kwestie bovendien ook politiek relevant. De recente bouwplannen van Netanyahu bevestigen nadrukkelijk Israëls claim op het bezette Oost-Jeruzalem.

Waarom ben ik tegen de opvatting dat Jeruzalem moet gelden als de ongedeelde hoofdstad van de staat Israël? In ieder geval niet omdat ik de bijzondere positie van het Joodse volk zou miskennen. Meer dan in mijn eigen vrijgemaakte traditie gebruikelijk is, geloof ik dat God met het Joodse volk een eigen weg is gegaan en nog gaat. In de ene gemeente van Jezus, die het begin vormt van de samenleving voor het koninkrijk van de toekomst, zie ik voor het gelovige Israël blijvend een eigen herkenbare plaats. Bovendien voedt de Bijbel volgens mij de hoop dat misschien ooit nog veel meer ongelovige Joden zullen toetreden. Zo zullen Joden en niet-Joden samen thuiskomen in Jeruzalem als ongedeelde hoofdstad van het rijk van Davids Zoon. Dat Jeruzalem zal uit de hemel neerdalen en de hele aarde omvatten.

Van deze Bijbelse overtuiging mag je echter niet rechtstreeks overstappen naar de in 1948 gestichte moderne natiestaat Israël en de aardse stad Jeruzalem. Dat is een ongefundeerde en speculatieve sprong. Daarmee zeg ik niet dat deze staat en deze stad in Gods beleid met de Joden geen bijzondere functie kunnen hebben. Maar dat zullen wij aan God moeten overlaten. Het behoort tot het domein van zijn verborgen regering van de aarde, waarin wij niet moeten willen binnendringen.

Christelijke politiek moet scherp onderscheiden tussen het koninkrijk van God en aardse natiestaten. Geen van die staten kan een bijzondere relatie claimen tot Gods rijk. Alle staten behoren sinds Jezus’ hemelvaart in beginsel bij het tijdvak dat Augustinus het ‘saeculum’ noemde, de wereld van nu die eens plaatsmaakt voor de komende wereld. Alle staten hebben een tijdelijke functie in het bewaren van een zekere orde en gerechtigheid op aarde. Eens zullen alle aardse staten het veld ruimen voor het Rijk van de Messias. Ook de staat Israël.

Daarom moet christelijke politiek alle staten gelijk behandelen. Je maakt een principiële fout wanneer je de politieke bezinning over de territoriale aanspraken van Israël op de stad Jeruzalem via de ‘shortcut’ van een Bijbelse argumentatie beslecht. Ten diepste val je dan in het zwaard van een klassieke theocratische positie die een directe verbinding legt tussen Christus’ koninkrijk en de politiek van een aardse natiestaat.

Zelfs wanneer er wel Bijbelse redenen zouden bestaan om aan een aardse staat Israël een bijzondere positie toe te kennen (wat ik dus ontken), zou een dergelijke benadering misplaatst zijn. Zoals wij in eigen land niet met politieke middelen moeten nastreven dat de niet-christelijke overheid God eert en zijn kerk publiek erkent, zo moeten wij ook internationaal een eventuele geloofsovertuiging ten aanzien van de stad Jeruzalem niet met politieke middelen proberen door te zetten.

De praktijk leert dat het versterken van Israëls claim op Jeruzalem juist niet leidt tot de voorlopige orde en gerechtigheid waarvoor politiek in afwachting van Christus’ rijk moet zorgen. De ChristenUnie doet er goed aan afscheid te nemen van Jeruzalem als Israëls ‘ongedeelde hoofdstad’.

Dr. A.L.Th. de Bruijne is hoogleraar Ethiek en Spiritualiteit aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Kampen. Hij schrijft maandelijks een column.

  • 08-12-2012 - 7.32
  • 08-12-2012 - 8.03

waardeer:

  • Waardeer dit artikel met 1 ster
  • Waardeer dit artikel met 2 sterren
  • Waardeer dit artikel met 3 sterren
  • Waardeer dit artikel met 4 sterren
  • Waardeer dit artikel met 5 sterren