« Terug naar voorpagina

Nederlands Dagblad, christelijk betrokken

Opinieplein


Autonomie kerkgenootschap is groot

Geplaatst: 02 februari 2010 09:20, laatste wijziging: 02 februari 2010 09:29

door A.H. Santing-Wubs en F.T. Oldenhuis

De rechtszaak rond predikant H.R.H.A de Boer maakt duidelijk dat de ruimte voor kerken om geschillen zelf te beslechten heel groot is. Maar de kerk heeft niet het laatste woord.


In het Nederlands Dagblad werd vorige week aandacht besteed aan de zaak van ds. De Boer (Christelijke Gereformeerde Kerk Zeewolde), de dag nadat het Hof Arnhem uitspraak had gedaan. De gegeven reacties beperkten zich in hoofdzaak tot het feit dat het hof de vraag of een predikant nu wel of geen arbeidsovereenkomst heeft, niet heeft beantwoord. Enkelen spraken hun teleurstelling daarover uit.

Door het accent op wel of geen arbeidsovereenkomst te leggen, gaat men naar ons oordeel ten onrechte voorbij aan andere punten die niet minder essentieel zijn in dit zo zeer zorgvuldig afgewogen arrest.

Enkele punten willen wij bespreken. De kerk had betoogd dat de burgerlijke rechter onbevoegd is om kennis te nemen van een intern kerkelijk conflict. Dat zou in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat.

Kerk en staat

Het hof verwierp die stelling en meende dat de scheiding tussen kerk en staat niet zo ver gaat dat de gang naar de burgerlijke rechter per definitie uitgesloten is. De kerk kan de bemoeienis van de burgerlijke rechter evenwel op afstand houden door een systeem van eigen beroepsregels te hanteren. Indien de predikant zonder gebruik te maken van die interne regels toch de hulp van de burgerlijke rechter inroept, kan de rechter hem niet-ontvankelijk verklaren onder het mom van: eigen rechtsgang eerst!

Op dat punt ging de predikant in de fout. Hij haakte halverwege het traject van de interne procedures - soms is dat ook wel te begrijpen, althans wij begrijpen het - af en schakelde over op de burgerlijke rechter.

De kerk stelde daarop dat de predikant niet bij de burgerlijke rechter kan aankloppen, aangezien de interne kerkelijke rechtsgang voldoende waarborgen bood. De kerk stelde dat de predikant verplicht was deze te volgen op grond van zijn geloofsbelijdenis en het ondertekenings-formulier voor dienaren des Woords.

Eerst de kerk

De predikant stelde onder meer dat nergens in de kerkorde uitdrukkelijk blijkt dat hij eerst de volledige kerkelijke rechtsgang zou dienen te volgen, voordat hij bij de burgerlijke rechter terecht zou kunnen.

Het hof oordeelde dat wanneer de geschilbeslechting is opgedragen aan de kerkelijke rechter - bij een geschil dat zowel kerkrechtelijke als civielrechtelijke aspecten heeft - partijen in beginsel deze rechtsgang dienen te volgen.Dat kan anders zijn ingeval van zwaarwegende omstandigheden, bijvoorbeeld indien de kerkelijke rechtsgang niet voldoet aan fundamentele beginselen van het procesrecht.

Geloofsbelijdenis

Wat betreft de gebondenheid aan de interne regelgeving op grond van het doen van openbare geloofsbelijdenis en het - als predikant - onderschrijven van het ondertekeningsformulier, was het hof van oordeel dat dat argument door de predikant onvoldoende was bestreden. Het hof merkte los daarvan in het algemeen nog op dat op zichzelf genomen niet te snel de conclusie moet worden getrokken dat men afstand heeft gedaan van grondwettelijk gewaarborgde rechten en dat in het algemeen het middel van geloofsbelijdenis daartoe niet volstaat.

Wat betreft de binding aan de interne regels merkte het hof nog op dat de kerkorde daarbij geen onderscheid maakte tussen gebondenheid aan regels van materiële aard of geestelijke aard.

Ruim baan

Wij constateren dat het hof aldus zeer ruim baan heeft gegeven aan de invulling van de autonomie van kerkgenootschappen, ongeacht het karakter of de aard van de regeling. Aldus ligt een regeling over de honorering van de werkzaamheden, ongeacht hoe de benaming luidt, in eerste instantie binnen de bevoegdheid van de kerken. Uit het voorgaande blijkt eveneens dat, ongeacht de inhoud van die regeling, de burgerlijke rechter daarover uiteindelijk het laatste woord heeft. Elementaire beginselen van burgerlijk recht gelden onverkort voor kerkgenootschappen.

In een periode waarin op Nederlands grondgebied kerkgenootschappen van zeer uiteenlopende aard functioneren, is die laatste constatering van groot belang. De kerk is geen staatje in de staat.

Weerlegging

Hoezeer de burgerlijke rechter waakt over de naleving van de elementaire rechtsbeginselen blijkt uit de gedetailleerde weerlegging door het hof van het standpunt van ds. De Boer als zouden fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden. Het hof oordeelde echter dat dit niet het geval was. Uiteindelijk sprak het hof uit dat de predikant niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen en werd het hoger beroep verworpen.

De uitspraak vormt enerzijds een bevestiging van de autonomie die kerkgenootschappen binnen het Nederlandse recht hebben, maar geeft anderzijds zeer scherp aan dat die autonomie begrensd is en dat die grenzen door het burgerlijk recht (lees: de burgerlijke rechter) worden getrokken.

A.H. Santing-Wubs en F.T. Oldenhuis zijn beiden verbonden aan de vakgroep Privaatrecht en Notarieel Recht van de Rijksuniversiteit Groningen.

 
Bookmark and Share



Reageren


Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.

Reacties


Nog geen reacties geplaatst.

Overige Opinieplein

gebruikersnaam


wachtwoord


wachtwoord vergeten nog geen account?
Tekstgrootte

wo 17-03-2010 06:40:50