Cultuur
Graven naar de Romeinen
Geplaatst: 09 januari 2009 10:00, laatste wijziging: 09 januari 2009 13:43
door René Fransen
Een groep Nederlandse studenten wordt door René Cappers (met groen hoedje) rondgeleid door Karanis. |foto René FransenIn Karanis, tachtig kilometer ten zuidwesten van de Egyptische hoofdstad Cairo, ligt de Romeinse tijd tussen tichelstenen muren in het zand. Amforapunten, scherven, stukken glas en een groen uitgeslagen munt: het kost amper een minuut om het op een volkomen willekeurige plek te verzamelen.
1 reactie
René Fransen doet verslag van het archeologisch onderzoek.
De eerste vijf, zes eeuwen van onze jaartelling was Karanis een belangrijke stad, een spil in de graanhandel van het Romeinse rijk. Gelegen in de vruchtbare Fayumregio van Egypte, waar een zijarm van de rivier de Nijl op een bergrug vastloopt en een groot meer vormt. Maar het Romeinse rijk viel uiteen, het waterpeil in het meer zakte, de graanhandel droogde op en Karanis liep leeg. De wind kreeg vrij spel en bedekte de stad met woestijnzand.
In de eeuwen waarin de stad werd bewoond, ontstond een dikke laag organisch afval, vruchtbare grond dus, die net als de terpaarde in Noord-Nederland werd afgegraven door lokale boeren. Aan het begin van de twintigste eeuw kreeg een Italiaans bedrijf de concessie om deze sebbakh op grote schaal te winnen. Toen er stukken papyrus tevoorschijn kwamen, raakten egyptologen geïnteresseerd. Tussen 1925 en 1935 werden de eerste ruïnes van Karanis opgegraven door archeologen van de universiteit van Michigan (VS).
,,Bij eerdere opgravingen lag de nadruk sterk op papyrus en de architectuur. Al het andere materiaal werd min of meer terzijde gelegd'', vertelt René Cappers van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is paleobotanicus, gespecialiseerd in onderzoek naar oude plantenresten, en heeft al enkele jaren de leiding over een nieuwe opgraving in Karanis. Die leiding deelt hij met egyptologe Willeke Wendrich, opgeleid aan de Universiteit Leiden, maar tegenwoordig werkzaam voor de University of California in Los Angeles (VS). Hun internationale team graaft elk najaar enkele maanden in de Fayumregio, onder meer in Karanis. ,,Wij doen op kleine schaal onderzoek in niet-verstoorde delen van de stad. Met nieuwe inzichten proberen we de voedseleconomie van de regio te reconstrueren.''
Onbeschermd
Wie nu in Karanis komt, ziet vooral veel muren van tichelstenen. Sommige staan al tachtig jaar onbeschermd boven het zand. ,,De wind tast ze aan. Elk jaar dat we hier terugkomen, zijn er weer stukken muur omgevallen'', zegt Cappers. Het zijn juist de tichelstenen die hem interesseren. Ze zijn gemaakt van klei, vermengd met stro en ander organisch materiaal. De Romeinen mengden vooral dorsresten door de klei. Daarmee zijn de stenen een soort tijdcapsules, waarmee Cappers de Romeinse akkers kan bestuderen.
,,Na het dorsen van tarwe blijven fragmenten van de aar achter'', legt hij uit. Centraal in de aar loopt de 'aarspil', waaraan de tarwekorrels vastzitten. Het is mogelijk om uit het aantal aarspilfragmenten te reconstrueren van hoeveel aren het kaf is verwerkt in een tichelsteen. Door vervolgens te meten hoeveel stenen er in een huis gingen, kun je schatten van hoeveel aren het kaf voor een huis is gebruikt, en hoeveel landbouwgrond daarvoor nodig was.
En de stenen bevatten meer informatie, zoals onkruidzaden. Die zeggen weer iets over de tijd en methode van oogsten. Werd de tarwe hoog afgesneden, of juist laag bij de grond? In Egypte valt nauwelijks regen; landbouwgrond moet voor het inzaaien worden geïrrigeerd met Nijlwater. Ook daarbij komen zaden mee. ,,De klei voor tichelstenen kwam vermoedelijk van de akkers'', vertelt Cappers. ,,Maar als er veel gebouwd is, werd de klei misschien uit andere regio's geïmporteerd. Dat kun je weer terugzien in de zaden die je vindt in de stenen.''
Luik
Maar de ruïnes van Karanis bieden meer informatie over graan. Bij de opgraving is bijvoorbeeld een grote graanopslagplaats gevonden. Tussen een paar muren ligt een luik dat toegang geeft tot de opslagruimte, afgeschermd met een oranje stuk zeil. In tegenstelling tot de gemiddelde Indiana Jonesfilm is het onderzoek naar ondergrondse ruimtes niet een kwestie van luik openen en erin springen. ,,Maar we gaan deze ruimte nauwkeurig opmeten'', vertelt Cappers. Hetzelfde gebeurt met andere opslagplaatsen, zodat een idee ontstaat van de hoeveelheid graan die in de stad lag.
,,We weten dat Egypte de graanschuur van het Romeinse rijk was, maar niet hoeveel graan er werd uitgevoerd'', legt Cappers uit. Schriftelijke bronnen zoals handelsregisters geven wel een idee van het aantal schepen dat van Egypte naar Rome voer. ,,Maar de vertaling blijft een kwestie van interpreteren. Uiteindelijk moet je dit soort bronnen combineren met onze benadering.''
Cappers kan bijvoorbeeld zien hoe de Romeinen de landbouw in Egypte veranderden. Nieuwe irrigatietechnieken maakten het mogelijk twee oogsten per jaar binnen te halen. En er kwam een ander soort tarwe. ,,Bij de tarwe uit de tijd van de farao's zat de graankorrel stevig vast aan de aar. De boeren wachtten tot de hele aar rijp was, en oogstten door graan vlak onder de aar af te snijden'', legt hij uit. Eventueel werden daarna de halmen nog afzonderlijk geoogst. ,,Daarna mochten dieren de rest van de plant en de onkruiden van de akkers eten.'' De aren werden opgeslagen en voor gebruik kort geroosterd, zodat de korrels loslieten.
,,De Romeinen vervoerden het graan naar Rome, ze wilden zo min mogelijk ballast meenemen. Zij gingen over op vrijdorsend graan, dat gemakkelijk uit de aren valt.'' Dit graan werd laag bij de grond geoogst zodra de eerste korrels rijp waren. De korrels zaten dan nog vast, waardoor er weinig korrels bij het oogsten verloren gingen. De geoogste graankorrels konden narijpen door vocht op te nemen uit de lange stengel. Tijdens het dorsen werden de aren volledig gescheiden in graankorrels en kaf. ,,Zo kwam er in één keer een grote hoeveelheid dorsmateriaal beschikbaar, waarmee stenen gemaakt konden worden.''
Tichelstenen
Rinus Ormeling, archeologiestudent in Leiden, waar Cappers een halve dag per week hoogleraar is, heeft een flink aantal tichelstenen uit net opgegraven delen van Karanis gehaald. Ze liggen inmiddels bij het 'dig-house', een gebouw op een kwartier rijden van Karanis, dat dient als basiskamp van het opgravingsteam. Voor het dig-house staat een klein tentenkamp waar de archeologen slapen.
Samen met masterstudent Jasmijn van der Veen uit Groningen gaat Ormeling de stenen uitpluizen. Het is een arbeidsintensieve bezigheid: de stenen worden eerst gemeten, gewogen en gefotografeerd. Een plak wordt eraf gezaagd voor geologisch onderzoek. Daarna gaan ze elk in een emmer water, de klei lost op en het plantenmateriaal komt bovendrijven. Dan is het een kwestie van afgieten, drogen en sorteren.
Cappers demonstreert aan zijn studenten, hoe ze de gedroogde resten kunnen zeven. Het materiaal gaat boven in een constructie die lijkt op drie gestapelde taartvormen. Er zitten drie zeven in, met een afnemende maaswijdte. Onderuit komt stof. Het zeven moet dus buiten gebeuren, maar het is lastig een windvrij hoekje te vinden waar de gezeefde resten niet wegwaaien. De op grootte gezeefde resten gaan in zakjes. Binnen staan microscopen, waarmee de fragmenten geïdentificeerd kunnen worden.
Ormeling en Van der Veen zullen een groot deel van hun tijd in Egypte doorbrengen achter deze microscopen. ,,Het is leuk hier'', vertelt Van der Veen, die net de eerste van zes weken in het kamp erop heeft zitten. ,,Het werk is soms zwaar, maar we doen het met z'n tweeën. Een muziekje erbij, lekker puzzelen.''
Voordat alle stenen opgelost worden, denken ze samen na over de beste manier om ze te onderzoeken. ,,Moet je bijvoorbeeld de buitenkant van de stenen niet eerst verwijderen en alleen de binnenkant gebruiken? De samenstelling van de buitenkant kan vermengd zijn met plantenresten van de grond waarop de stenen gedroogd zijn. Dat soort vragen leer je stellen wanneer je zelf onderzoek gaat doen. Daarom is het zo stimulerend om hier te zijn.''
Spoedgeval
Ormeling en Van der Veen zitten achter hun microscopen wanneer de rest van het team moet uitrukken voor een archeologisch spoedgeval. Behalve in de Romeinse stad Karanis doet het team ook onderzoek naar de vroege steentijd in Egypte. Vorig jaar publiceerde het gegevens over de locatie 'Kom K', waar de oudste landbouwnederzetting die er tot nu toe in het land is gevonden, ongeveer zevenduizend jaar oud, zich bevindt.
,,We kregen te horen dat over tien dagen een stuk land waar eerder archeologisch onderzoek is gedaan, omgeploegd gaat worden'', vertelt Willeke Wendrich. De landbouw rukt langzaam op in de Fayumregio, nadat hij duizenden jaren was teruggedrongen door het dalende waterpeil in het meer. Nu botst de moderne landbouw op de sporen uit de vroege steentijd. Wegens de acute bedreiging is besloten niet verder te graven op Kom K, maar een snelle inventarisatie te maken van het terrein dat omgeploegd gaat worden, een paar kilometer ervandaan.
Op een kale, droge vlakte liggen zwarte slangen die straks water moeten aanvoeren. Tussen de slangen staan talloze kleurige vlaggetjes. Een groep medewerkers heeft er de vorige avond zesduizend gemaakt van grote spijkers en gekleurde tape. Die staan nu rond objecten die iets kunnen zeggen over vroeger. Een gave pijlpunt van zwarte steen ligt er, andere vlaggetjes wijzen botfragmenten aan, stukken bewerkt vuursteen of hout. Met een soort landmeterswerktuig worden gps-coördinaten van elke vindplaats tot op de centimeter nauwkeurig vastgelegd. Met drie van deze instrumenten is het mogelijk drieduizend voorwerpen per dag te registeren. Zo is het mogelijk patronen in de vondsten te ontdekken.
Op de achtergrond staat een gebouwtje, een moskee die de eigenaar van de grond alvast heeft laten bouwen. Als hij de grond drie jaar heeft bewerkt, is het stuk land van hem. Die regel moet de landbouw stimuleren, maar is nadelig voor archeologen. Ook Kom K werd bedreigd, maar kon worden gehuurd van de eigenaar. De vindplaats van de landbouwnederzetting ligt tussen inmiddels verlaten akkers: de landbouw bracht weinig op en is na een paar jaar beëindigd. Ondertussen is het bodemarchief wel vernietigd. Alleen het stukje dat de archeologen konden huren, is nog onaangetast.
Op de plek van de noodinventarisatie inspecteren Wendrich en Cappers een paar geulen die zijn gegraven voor de irrigatiekanalen. Er lijken wat sporen van bewoning zichtbaar. Wendrich zucht. ,,Misschien moeten we ook deze eigenaar vragen, of we een stuk van de grond kunnen beschermen.'' Het is een van de frustraties van de archeologie: voorwerpen die duizenden jaren onberoerd zijn gebleven, moeten soms met kunst en vliegwerk in hoog tempo worden opgegraven omdat ze acuut worden bedreigd. Het verdere onderzoek van de landbouwnederzetting in Kom K moet wachten tot volgend jaar.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.
Reacties (1)
ferry3 (10 januari 2009 09:35)
"Het is een van de frustraties van de archeologie: voorwerpen die duizenden jaren onberoerd zijn gebleven, moeten soms met kunst en vliegwerk in hoog tempo worden opgegraven omdat ze acuut worden bedreigd" Het is echter de frustratie van veel belastingbetalers dat archeologen doorgaans van mening zijn dat het bodemarchief onaangetast dient te blijven omdat over bijv. 100 jaar er betere opgravings- en onderzoeksmethoden zijn. Zekere weten dat over 100 jaar hetzelfde wordt gezegd, en zo blijven in elk geval de geïnteresseerde burgers van nu verstoken van resultaten.





RSS