Kerk
Hoe jonger een kerk, hoe meer bekeerlingen
Geplaatst: 24 oktober 2008 08:20, laatste wijziging: 24 oktober 2008 08:36
door onze redacteur Reina Wiskerke
Thaise boeddhisten, moslims en christenen demonstreren tegenover de ambassade van de Verenigde Staten in Bangkok. Sociologisch gezien zijn er nauwelijks redenen voor Thai om over te stappen naar een andere godsdienst. |foto EPA/Pornchai KittiwongsakulUTRECHT -Door kerkplanting groeit de kerk in Thailand: hoe jonger en hoe minder traditioneel van inslag een kerk is, hoe meer bekeerlingen. Explosieve groei van het christendom is echter niet waarschijnlijk.
Hoe jonger een kerk hoe meer bekeerlingen. En hoe traditionele een kerk, hoe langzamer de groei. Dat is althans de situatie in Thailand, die kerkplanter Marten Visser afgelopen jaren onderzocht heeft. Visser (1971), met zijn vrouw Esther uitgezonden door de Gereformeerde Zendingsbond in de Protestantse Kerk in Nederland, hoopt vandaag in Utrecht te promoveren op een studie naar groei van protestantse kerken in Thailand.
Christenen vormen een kleine minderheid in het overwegend boeddhistische Thailand. Er zijn meer dan vierduizend protestantse kerken met in totaal ongeveer 325.000 leden. Veertig procent van hen behoort tot de stammenbevolking, die slechts twee procent van de Thaise bevolking uitmaakt. Visser richt zich in zijn studie juist niet op die stammen, maar op 'gewone', etnische Thai. Onder hen is het percentage protestantse christenen 0,3 procent. Visser komt met een cijfer dat lager ligt dan christelijke handboeken World Christian Encyclopedia en Operation World aangeven. Zij baseren zich op vervuilde statistieken, verklaart hij.
,,Het protestantisme valt uiteen in drie hoofdstromen, die elkaar in grootte niet veel ontlopen'', beschrijft Visser. Allereerst zijn er de kerken binnen de Church of Christ in Thailand, het meest traditionele kerkgenootschap, gedomineerd door presbyterianen. De niet-charismatische evangelische kerken ontstonden veelal na de Tweede Wereldoorlog door kerkelijke zending. Tot slot zijn er de charismatische evangelische kerken, sterk vertegenwoordigd in de steden. ,,Omdat het aantal protestantse christenen per jaar 3,5 procent sneller toeneemt dan de bevolking, neemt het aandeel van het protestantisme onder de Thai toe.'' Deze waarneming wordt gesteund door het feit dat tweederde van alle Thaise protestantse gelovigen eerste-generatiechristenen zijn.
Dat de protestantse kerk in Thailand gestaag groeit, relateert Visser aan een energieke aanpak van kerkplanting. De belangrijkste groeifactor die hij uit de cijfers haalt, is de leeftijd van de lokale gemeente. Jonge gemeenten in Thailand trekken meer bekeerlingen. Tegelijk blijkt in Thailand dat kerkplanting vanuit bestaande kerken in de praktijk niet ten koste hoeft te gaan van groei van de moederkerk.
Het maakt wel verschil wat voor soort kerk er geplant wordt. Traditionele kerken met veel kerkelijke regels en nadruk op de rol van de ambtsdragers, blijken minder te groeien dan niet-traditionele kerken. Dit spoort weer, legt Visser uit, met de waarneming dat bekering tot het christendom vooral onder invloed van christenen in eigen familie- of vriendenkring plaatsvindt. Een kerk die haar eigen leden mondig maakt, groeit sneller.
Naast leeftijd en traditionele inslag van een kerk, wijst Visser drie factoren aan die bijdragen aan kerkgroei, maar dan veel minder sterk: kerken waar in tongentaal wordt gesproken, kerken zonder vrouwen in de leiding en kerken die niet meer geleid worden door de pastor die de gemeente stichtte.
Visser concludeert dat het mogelijk is betrouwbare cijfers boven tafel te krijgen over bekering en kerkgroei. Op die manier betekent kerkgroei dan werkelijk groei van de christenheid en geen groei door de overstap van de ene kerk naar de andere kerk, waarbij in werkelijkheid het aantal christenen gelijk blijft.
Goede start
Een dergelijke statistische studie is volgens hem een goede start voor missiologisch onderzoek.
Gelet op de cijfers zijn er mogelijkheden tot groei voor het protestantisme in Thailand, maar Visser ziet geen aanleiding om explosieve groei te verwachten. Bekering vindt vooral plaats binnen sociale netwerken, aldus de kerkplanter. Het is veel waarschijnlijker dat familieleden van christenen en mensen die in een plaats wonen waar een kerk is, zich bekeren tot het christendom dan andere Thai. Hij concludeert hieruit dat Thai het christelijk geloof niet afwijzen vanuit bewust verzet, maar omdat zij het in hun sociale omgeving niet kennen als een mogelijke keuze. Hiertegenover staat weer dat sociologisch gezien er nauwelijks redenen voor Thai zijn om over te stappen naar een andere godsdienst, wat doorgaans van grote invloed is op het aantal bekeringen. Als hierin geen verandering komt, is het niet waarschijnlijk dat de groeicijfers ingrijpend wijzigen in toekomst.
Het proefschrift Conversion Growth of Protestant Churches in Thailand door Marten Visser is een uitgave van Boekencentrum (€ 27,50).
---------------------------------------------------------------------
Komst van buitenlandse zendelingen kan 'dodelijk' zijn
Zendelingen moeten uitgezonden worden naar gebieden waar mensen ontvankelijk zijn voor het christelijk geloof. Dit advies komt van de Amerikaanse missioloog Donald A. McGavran (1897-1990), vertegenwoordiger van de kerkgroeibeweging.
Marten Visser zet er kanttekeningen bij. In sommige gevallen is het een goede leidraad, maar er zijn verschillende redenen om niet automatisch meer zendelingen te sturen naar 'ontvankelijke gebieden'.
Waarom? De komst van nieuwe zendelingen, in het bijzonder grote aantallen zendelingen, kan 'dodelijk' zijn voor een volksbeweging in de richting van Christus, vanwege het buitenlandse gezicht dat het christelijk geloof krijgt en omdat nationale leiders het hoofd zullen buigen voor buitenlanders, stelt Visser in zijn proefschrift.
In de meeste gevallen, vervolgt hij, moeten nieuwe zendelingen eerst een aantal jaren taal- en cultuurstudie doen voordat ze vruchtbaar hun werk kunnen doen. Na al die jaren van voorbereiding kan het wel gedaan zijn met de ontvankelijkheid die eens in het beoogde gebied werd waargenomen.
Van ontvankelijkheid voor het evangelie wordt doorgaans gesproken omdat ergens kerkgroei waargenomen wordt. Wie daarom meer zendelingen naar het bewuste gebied stuurt, suggereert dat méér zendelingen de kerk ter plaatse zelfs sneller kan doen groeien.
Er is dan geen oog voor dat er ook gevaren aan kleven, met mogelijk een tegengesteld effect.
Ontvankelijkheid is zeker een motief, maar beslist niet het enige, aldus Visser. Hij geeft een theoretisch rekenvoorbeeld. Zendeling A werkt onder een grote, nogal afkerige groep mensen. Door zijn werk groeit de kleine kerk van tien tot honderd: hij heeft dus 'slechts' bijgedragen aan een kerkgroei van negentig mensen.
De honderd jaar daarna groeit de kerk jaarlijks door geboorte en bekering, wat leidt tot in totaal 13,505 kerkleden. Was zendeling A helemaal niet actief geweest, en waren er onder zijn bediening geen negentig kerkleden bij gekomen, dan zou het ledenaantal na honderd jaar 192 zijn, in theorie. Indirect leidde het werk van zendeling A dus tot een kerkgroei van meer dan dertienduizend.
En dan komt zendeling B. Die gaat werken onder een kleine, bijzonder ontvankelijke bevolkingsgroep. Door zijn inzet groeit de kerk van negen- tot tienduizend leden: een kerkgroei dus van duizend, heel wat meer dan de negentig van zendeling A. Maar na honderd jaar is het beeld totaal veranderd. Dan telt de kerk 72.000 leden.
Aanwas door geboorte is doorgegaan, maar het aantal nieuwe bekeringen daalde, omdat de etnische groepering waaronder de zendeling ging werken, 'uitgeput' raakte: deze bevolkingsgroep was immers klein.
Was zendeling B niet actief geweest, dan had het tussen de nul en zevenduizend leden gescheeld, rekent Visser voor, wat weer minder is in vergelijking met zendeling A.
Reageren
Indien u geregistreerd bent, kunt u hieronder reageren op het artikel. Hiertoe dient u in te loggen. Dit inloggen is mogelijk na een eenmalige registratie.





RSS