Hij weet niet waar hij is of hoe laat het is. Hij weet niet eens waar hij naar toe wil in deze onbekende stad. De zon zakt achter de hoge kathedralen en het wordt kouder. Om niet herkend te worden, had hij zijn jas uitgedaan en ergens laten liggen - hij dacht toen nog dat dat zou helpen. Nu weet hij niet meer wat hij moet denken of hopen. Hij is wanhopig en angstig en een onrust doet hem doorlopen